
Uitgelaten, zelfs een beetje in trance, kwam mijn moeder terug van de bioscoop. Als een wervelwind stapte ze uit de auto en snelde naar binnen om de duffe thuisblijvers te vertellen wat voor een prachtige film ze net gezien had. ‘Jesus Christ, Superstar, oh, wat was dat geweldig!', zuchtte ze, nog buiten adem van wat ze gezien had in dat filmzaaltje, dat doorging voor bioscoop aan de voet van een Scheldedijk.
Na Sissi was mijn moeder niet meer naar de bioscoop geweest. Niet omdat ze niet wilde, maar in het plattelandszaaltje draaiden ze alleen Ben Hur en De Kanonnen van Navarone. Niet bepaald het werk waar je dames met een hang naar goudglanzende romantiek blij mee maakt.
Mijn zus, die met haar mee was geweest naar de reli-rockopera keek nog wat beduusd uit de ogen en zat stil naast mijn moeder, die maar niet uitgepraat raakte over ‘die mooie Jezus en die leuke jongelui, die zo fraai zongen en dansten in de woestijn'.
Een van die dufferds, die thuisgebleven was, was ik. Ik was ze beu, al die religieuze beats en goddelijk geďnspireerde tamboerijnen. In 1973 had ik al 15 jaar misdienaarschap achter de knieën. Tal van keren Tantum Ergo meegeblčrd, slaapverwekkende preken aanhoord en ook die steelse slokjes miswijn kwamen me de neus uit.
Eind jaren zestig waren de zeurderige dreuntonen van het kerkorgel voor even verdrongen door ritmisch handgeklap van jongens en meisjes in soepjurken op het altaar, kalmpjes jengelende slaggitaren en af en toe blij dekselende drumstellen. Maar na vijf van die beatmissen had ik het wel gehad met die al blije dozen en hun nieuwerwetse koorgezangen met teksten, die bol stonden van rare beeldspraak en manke vergelijkingen. Zeurende koppijn kreeg je van de meezinger van al die evangelische kampeervakanties ‘We shall overcome'. Wie nog geen Beatles-hater was werd dat wel in de kerk als ‘Yesterday' weer eens van het altaar af sijpelde en glibberde. Van de weeromstuit gingen we met een stel misdienaars bij ‘Blowing in the Wind' balorige handscheten maken.
Dus helemaal open stond ik niet voor de blije boodschap, waarmee mijn moeder terugkeerde van haar celluloid openbaring in paarsviolette tinten.
Jaren later, toen Philip Toubus die de rol van Petrus speelde in Jesus Christ Superstar, zijn naam had veranderd in Paul Thomas en pornoster was geworden, zag ik de film, die nu nog steeds mensen in vervoering brengt. Zoals een collega me gisteren vertelde. Hij had de film in 1973 tien keer gezien en vond het nog steeds een "fantastische cultfilm”. Gelijk heeft hij.
Jesus Christ Superstar is een geweldige cultfilm, die op het juiste moment uitgebracht werd. John Lennon had vanuit zijn bed in het Amsterdamse Hilton laten weten dat we Peace een kans moesten geven, terwijl hippies en andere blommenkinderen wilden dat de wereld ‘love not war' ging maken.
Het was een andere Jezusfilm dan iedereen gewend was. Geen dooie, brave diender, die netjes naar zijn vader luisterde en zich gedwee aan het kruis liet slaan. Maar een hippie, een rockstar met twijfels, woede uitbarstingen en verliefdheden. Swingend en sexy. Meer Jim Morrison dan Pete Seger. Maar toch geen echt rebelse zoon Gods, eerder een sympathiek knokkertje tegen zijn onafwendbare lotsbestemming, dankzij zijn pa ergens in die prachtige gefilmde hemel boven een Israëlische woestijn.
Toch was niet Jesus de echte ster in dit mega kassucces voor het toen nog jonge duo Tim Rice en Andrew Lloyd Webber. Dat was Judas, vanuit wiens perspectief de film is gemaakt. Met zijn pezige lenigheid gaf Carl Anderson fraai uitdrukking aan de gevoelens van angst, afgunst en verwarring, die Judas tot zijn einde zullen kwellen.
Moeder, zus en tal van andere vrouwen waren helemaal ‘in' Ted - Jesus -Neely. Zelf was ik al gauw bekeerd tot Yvonne Elliman, die Jezus' liefje duivelsmooi speelde. Naast veel zakdoekenvullende lieve liedjes kende de film gelukkig nog veel rauwer werk. Want af en toe dreigde ik te verlangen naar zo'n ouderwets orgel, dat hijgde en steunde als een volrijpe Maria Magdalena.
Gepubliceerd op: 03.05.10 06:00, laatste update: 03.05.10 11:24