Gerard Kessels

© MGL

,,D’n dieje is slecht van goeiigheid”, zei mijn moeder altijd met haar Brabantse tongval, als het aan de keukentafel over een Joris Goedbloed ging die met zijn altruïsme anderen te zeer verwende. In haar wereldbeeld moest de mens goed zijn, dat was christelijke plicht, maar je hoefde het ook niet zo te overdrijven dat je in het land der onnozelen terecht kwam.

Gerard Kessels

Overal loerde tuig. ,,De mens is niet lelijk”, zei ze dan, ,,hij wordt lelijk gemaakt”. En dat lelijk werd uitgesproken als ‘lillik’ en het betekende ook niet lelijk, maar hard, gemeen, vals.

,,De mens is niet lelijk, hij wordt lelijk gemaakt”

Mijn moeder trouwde een Limburgse kleermakerszoon en met de uitzet bracht ze vanuit haar Brabantse dorp een bonte serie levenswijsheden mee naar het zuiden. Ze is al lang dood, maar haar uitdrukkingen zijn als graniet in de herinnering van de zes kinderen blijven zitten. Even fijnzinnig waren die erupties niet altijd. Toen we ooit op straat door een wolk van parfum van een zwaar opgemaakte jonge meid liepen, mopperde moeder: ,,De kop moet de kont verkopen”. Zelf leek ze soms even te schrikken van haar rauwheid in gezelschap van al die kleine kinderen en een man die als kerkmeester tamelijk plechtig de wereld inkeek. Mijn zus woont nu in het ouderlijk huis. Daar staat nog altijd die onverslijtbare oude keukentafel. In een automatisme dat er nooit meer uitgaat, zoek ik in de keuken altijd mijn oude plekje op. Tegenover mij zat vader, meestal zwijgend etend. Links moeder, met een oog op het fornuis en het andere op de kudde.

Meer lezen?

Nieuwe actie: Één jaar toegang tot alle Plus-artikelen voor slechts 1,04 per week. Daarmee lees je dagelijks meer dan 100 nieuwe Plus-artikelen op onze site & app. Of kies voor een van onze andere abonnementen.

Ik word digitaal abonnee