Hoe overleeft de sportvereniging?

© illustratie Jean Gouders

Bevolkingskrimp en daardoor minder leden. Terugtrekkende overheid en daardoor minder financiën. Individualistischer sportende mensen en daardoor minder vrijwilligers. Sportverenigingen in Limburg zien tal van uitdagingen op zich afkomen. Hoe houden ze het hoofd boven water?

Kitty Borghouts en Judith Janssen

Sportverenigingen die hun toekomst willen veiligstellen, moeten veranderen. Breder aanbod, zelf geldstromen vinden, meer maatschappelijk actief worden. Maar niet alle verenigingen willen of kunnen in die trend mee. „Dat sommige verenigingen ervoor kiezen niet mee te gaan in allerlei veranderingen, is ook prima.”

‘We maken ons zorgen hoelang we als vereniging nog kunnen bestaan. Het aantal leden loopt terug, nieuwe aanmeldingen komen er bijna niet meer. De gemiddelde leeftijd van onze leden is boven de 65 jaar. Jeugdschutters blijven maar tot ongeveer hun twintigste lid’. De secretaris van handboogschutterij St.-Joris uit Leunen - dertien actieve leden - is openhartig bij het invullen van een vragenlijst die deze krant aan een groot aantal sportverenigingen in Limburg voorlegde.

De club weet niet of er nog toekomst is. De handboogvereniging staat niet alleen. Drie kwart van de ruim honderd verenigingen die de enquête invulde, rapporteert dat het vooral de constante daling van het ledental is die clubs kopzorgen baart en laat nadenken over de koers die gevaren moet worden: doorgaan zo lang het kan met mogelijke opheffing tot gevolg, vernieuwen in de hoop een nieuw publiek aan te trekken, of fuseren met een andere vereniging?

De bevolking van Limburg krimpt. Het aantal mensen dat actief aan sport doet, groeit weliswaar, maar trend is dat ze dat steeds minder vaak in verenigingsverband doen. Tel daarbij op dat gemeenten de subsidiekranen langzaam maar zeker verder dichtdraaien. Dan is duidelijk dat alleen de vitale verenigingen, met een stevig ledenbestand en met een actief bestuur dat bereid is veranderingen door te voeren, overblijven.

Een deel van de huidige sportverenigingen, bijna 30.000 in Nederland, 2.400 in Limburg, zal dan ook verdwijnen, verwacht Janine van Kalmthout. Zij is verenigingsonderzoeker bij het Mulier Instituut dat in opdracht van voornamelijk overheden onderzoek doet naar sportdeelname.

Je ziet dat bij verenigingen die het roer echt omgooien, er ook een heel ander bestuur zit

Leden van sportclubs gedragen zich steeds meer als consument, constateert zij. Alleen clubs die erin slagen hun aanbod te verbreden, of beter af te stemmen op veranderende wensen (tijden, gevarieerd aanbod voor alle leeftijden met bijbehorende gedifferentieerde tarieven), gaan het uiteindelijk redden.

Of dat lukt, ligt vooral aan de instelling van het clubbestuur. Van Kalmthout: „Het beeld van de sportbesturen is heel stereotiep maar wel nog steeds: de voorzitter is een 49-jarige blanke man. Zittende bestuursleden zoeken vaak naar ‘soortgenoten’, gelijkgestemden als het gaat om vervullen van taken. Besturen zijn behoorlijk vergrijsd. Dat verandert wel, maar dat gaat heel langzaam. Je ziet dat bij verenigingen die het roer echt omgooien, er ook een heel ander bestuur zit.”

Jack Opgenoord, directeur van het Huis van de Sport Limburg, bevestigt dat beeld.„Vroeger waren de besturen veel sterker. Toen zaten de notabelen, de bankdirecteuren in een bestuur. Dat is niet meer zo. Onze opdracht is ook: meer bestuurders terugkrijgen, we moeten daar meer werk van maken. Maar we gaan verenigingen of instanties niet vertellen hoe ze moeten veranderen, we gaan ze proberen te verleiden zelf met oplossingen te komen.”Want, wil Opgenoord maar zeggen: het blijft vrijwilligerswerk.

De een wil veel trainen, de ander niet

Van Kalmthout signaleert dat verenigingen nogal reactief zijn. Sommige hebben hun aanbod de afgelopen jaren aangepast, maar verandering vergt veel van een vereniging. Onder andere ouderen, een groeiende doelgroep, vragen een heel ander type aanbod. „Het is een grote doelgroep, maar ze is lastig zomaar in te passen in je aanbod. De ene oudere wil prestatief, de ander niet. De een wil veel trainen, de ander niet. En dan zit er nog veel variatie in conditie en zijn er gezondheidsrisico’s en kansen op blessures. Het vergt veel van verenigingen daar een aanbod op maat voor te maken. Zijn de clubs wel in staat daar professionele begeleiding voor te bieden?”

Clubs zijn, constateert de onderzoekster, heel erg in het hier en nu bezig. „Als de leden tevreden zijn, is het goed. Waarom zouden ze dan meegaan in de wensen van de gemeenten?”

Er zijn nu te veel accommodaties, te veel subsidies

Om te beginnen omdat ze daar door veranderend gemeentelijk beleid misschien wel toe gedwongen worden. Was het tot enkele jaren geleden vrij vanzelfsprekend dat verenigingen een behoorlijke financiële bijdrage kregen, bijvoorbeeld voor de huur van hun accommodatie, of vanwege het simpele feit dat ze sport aanboden, tegenwoordig worden de geldkranen steeds verder dichtgedraaid. „We zijn de afgelopen jaren heel ruimhartig geweest met het geven van subsidies”, zegt de Weerter wethouder van Sport, Geert Gabriëls. „Er zijn nu te veel accommodaties, te veel subsidies. Dat moeten we nu afbouwen. Dat is wel een worsteling in mij. Hoe gaan we dat doen?”

Zijn Maastrichtse collega André Willems: „De clubs weten al een hele tijd dat er een nieuwe wind waait, er is geen club die dat niet snapt. Als verenigingen actief zijn, vinden ze de gemeente aan hun zijde en is er echt nog wel veel mogelijk.”

Net als inWeert en Maastricht is de lijn in steeds meer gemeenten: gemeenten: alleen verenigingen die meer maatschappelijk actief zijn, kunnen rekenen op financiële ondersteuning. Dat betekent: sportaanbod voor ouderen, gehandicapten, jongeren met overgewicht.

Maar het gaat niet louter om sportaanbod. Ook clubs die, bijvoorbeeld, werklozen inzetten voor onderhoud, hun accommodatie delen voor kinderopvang of ouderenactiviteiten, kunnen rekenen op geld. Verenigingen worden niet louter meer met gemeenschapsgeld gefinancierd om de simpele reden dat ze bestaan, is de boodschap.

Wat de gemeenten echter verzuimd hebben, zo vinden de clubs, is de verenigingen tijdig mee te nemen en te begeleiden in het veranderingsproces. Ze begrijpen de koerswijziging wel, maar het (soms) vrij snel doorgevoerde gewijzigde beleid, waarbij niet zelden besluiten uit de krant moeten worden vernomen, levert vaak boosheid op. Als gemeenten sportaccommodaties sluiten, moeten clubs op zoek naar een ander onderkomen. Daarbij ondervinden ze soms weinig medewerking, rapporteren verenigingen. Maar er zijn ook meer principiële bezwaren tegen opgelegde veranderingen.

Een bredere maatschappelijke rol wordt ook gezien als vervlakking van het doel waarvoor de club ooit is opgericht. „Vooral oudere en traditionele clubs vinden die druk om zich maatschappelijk in te zetten lastig”, zegt Paul Verweel, hoogleraar bestuurs- en organisatiewetenschappen aan de Universiteit van Utrecht. „Die druk staat op gespannen voet met de autonomie van de vereniging. Wie bepaalt nog langer de koers?”

Maar er zijn veel Limburgse clubs die zo’n breder aanbod juist actief onderzoeken om de toekomst van de eigen club veilig te kunnen stellen. Zoals Handbalvereniging Maasgouw in Maasbracht (90 leden), die een gehandicaptenteam begon. „Zeker in dorpen ligt de toekomst bij het verbinden van verenigingen aan maatschappelijke functies”, zegt bestuurslid Sjra Rutten. En de club denkt na over dagopvang met sportaanbod, naschoolse opvang, handbal voor senioren of een leer-werkomgeving aanbieden voor mensen met een beperking.

Zo’n 10 procent wil niet veranderen en zal dat ook nooit doen

Maar clubs zoals HV Maasgouw zijn nog ver in de minderheid. Een topje van de ijsberg, weet ook Jack Opgenoord van het Huis van de Sport. Opgenoord: „Ongeveer 10 procent van de verenigingen is koploper en heeft door dat er dingen moeten veranderen. Zo’n 10 procent wil niet veranderen en zal dat ook nooit doen en de 80 procent ertussenin wacht af.”

Het provinciaal instituut begeleidt verenigingen die werk willen maken van verandering. Maar dan moet de club wel zelf aan de slag. „De eerste regel voor ons in een veranderingstraject is: de vereniging is zelf verantwoordelijk voor de eigen club. Dat is geheel in lijn met alle andere ontwikkelingen in de huidige participatiemaatschappij: kom voor jezelf op.Wat wil dat lid van je?”

Dat sommige verenigingen ervoor kiezen niet mee te gaan in allerlei veranderingen, is ook prima, zegt Opgenoord.

Ook dat is een keuze. Zoals zaalvoetbalvereniging Venrode in Venray (15 leden), die zich neerlegt bij een naderend einde: „Binnenkort willen we ons 40-jarig jubileum vieren, maar zoals het er nu naar uitziet, zal het ook ons afscheid zijn.”

Meer lezen?

Nieuwe actie: Één jaar toegang tot alle Plus-artikelen voor slechts 1,04 per week. Daarmee lees je dagelijks meer dan 100 nieuwe Plus-artikelen op onze site & app. Of kies voor een van onze andere abonnementen.

Ik word digitaal abonnee