NOOTZAAK: Grimlachen met Bartók

Print
Vandaag in deze rubriek: het 6e strijkkwartet van de Hongaar Béla Bartók, een stuk dat werd overschaduwd door dieptreurige persoonlijke omstandigheden. Toch zitten er gek genoeg ook nog komische fragmenten in. Het wordt zondag uitgevoerd in Theater Heerlen door het Jerusalem Quartet, een van de topstrijkkwartetten van dit moment.

Er bestaat sinds mensenheugenis een simpele formule in de klassieke muziek die betiteld wordt als een reis van donker naar licht. Zo'n stuk begint altijd met een korte, trage inleiding, waarbij melodieën uit het niets komen, en even onbestemd weer verdwijnen.

De sfeer is donkergetint, er wordt gezucht en gekreund bij het leven, en als luisteraar vraag je je af waar dit naar toe moet. Maar na een abrupte stilte schiet het tempo omhoog, en klinkt opeens muziek waar de pret vanaf vliegt. Het publiek is er dol op. Niets is fijner dan licht aan het einde van de tunnel. Je kunt het ook zo zeggen: na een poosje tandenknarsen is het dubbel zo leuk om daarna flink gekieteld te worden.

Het verklaart wellicht waarom het tegenovergestelde - een reis van licht naar donker - door componisten veel minder vaak werd gehanteerd. Áls het al voorkwam was er meestal sprake van bijzondere omstandigheden. Dat was het geval bij de Hongaar Béla Bartók toen hij zijn 6e strijkkwartet schreef. Hij begon eraan in de zomer van 1939, maar gaandeweg werd zijn moeder ernstig ziek.

Zij zou later dat jaar overlijden. Daarnaast brak in september de tweede wereldoorlog uit. Bartok maakte plannen voor een emigratie naar de Verenigde Staten, want hij had zich in de voorafgaande periode niet bijster populair gemaakt bij de vijand. Hij verdomde het al jaren op te treden in Duitsland - hij was tevens een voortreffelijk pianist - en toen zijn in Leipzig gevestigde uitgeverij werd overgenomen door de nazi's weigerde hij demonstratief elke medewerking.

Kenners omschrijven het als het meest wanhopige dat hij ooit uit zijn pen heeft geperst

Bartók paste een variant toe op de formule: niet één, maar álle vier de delen liet hij beginnen met dezelfde dieptreurige inleiding. Kenners omschrijven het als het meest wanhopige dat hij ooit uit zijn pen heeft geperst. In de eerste drie delen speelt hij het nog klaar om er een luchtig vervolg aan te geven, maar in het slotdeel is er geen ontkomen meer aan: de inleiding wordt dusdanig uitgebreid dat er geen vrolijke noot meer aan te pas komt. Het merkwaardige is dat Bartók het in de middendelen presteert om deze ellende te combineren met muziek die eigenlijk best komisch is.

Zo presenteert hij in deel twee een karikatuur van marcherend soldatenvolk. De mars begint al fout - je kunt horen dat het even duurt voordat alle neuzen dezelfde kant uitwijzen - en wanneer de ganzenpas een beetje herkenbaar wordt plaatst hij welgemikte accenten op de verkeerde plek, wat een effect geeft alsof het onnadenkende gepeupel nog uitglijdt ook. Bartók wilde het uitbreken van de oorlog aan de kaak stellen. Je zou erom willen lachen als de realiteit niet zo bitter was.