Hans Dorrestijn is een geslaagde mislukking

Print
Hans Dorrestijn is een geslaagde mislukking

Afbeelding: Jacqueline de Haas

Jarenlang verdronk hij bijna in zijn eigen misère. Maar sinds cabaretier/ schrijver Hans Dorrestijn het geluk ontdekte in de aanblik van een kwetterend staartmeesje, is er eindelijk zonneschijn. „Ik zou best weer geschikt zijn als huisgenoot.”

Zelfs Christus aan het kruis, had het beter dan ik thuis, luidt de titel van Hans Dorrestijns bundel verzamelde gedichten die afgelopen jaar verscheen. Niet alleen was die zin exemplarisch voor het mistroostige oeuvre van de cabaretier, hij leek lang werkelijk te gelden voor zijn droefgeestige huiselijk leven. Toch is de stemming in Dorrestijns woonerfwoning in het Gelderse Bennekom deze middag allerminst bedrukt. De vrijgezelle heer des huizes wuift vrolijk naar een buurvrouw, wijst zijn bezoek de plek in de tuin waar de kornoelje in mei nog zo fraai bloeide en zet thee. „Als ik mensen om me heen heb, ben ik nooit depressief”, verklaart hij. „Zelfs als het journalisten zijn.” 

Hij werd afgelopen jaar 75 en lijkt zich op een carrièrepiek te bevinden. Dorrestijns Vogelgids (2007) en Dorrestijns Natuurgids (2011) werden zijn eerste bestsellers. Als helft van het ornithologische duo Baardmannetjes is hij een kijkcijferhit. Het klimmen der jaren heeft zijn werklust niet aangetast. Hij begint deze maand met zijn nieuwe cabaretprogramma Het einde is zoek. Bovendien is in het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling aan zijn oeuvre gewijd. De expositie gaat vergezeld van het boek De Kunst van het Lijden.
 
De ondertitel van het boek luidt: ‘De wederopstanding van Hans Dorrestijn’. U bent herrezen? 
„Die tekst slaat vooral op mijn verbeterde gemoedstoestand. Weet je wat me enorm helpt? De laatste jaren spreken veel mensen, gelukkig vooral vrouwen, me aan om te vertellen hoe geweldig ze mijn werk vinden. Het ene schouderklopje na het andere! Dat is voor een zwak ego als dat van mij heerlijk. Hoewel: mijn ego is lang niet zo zwak meer als vroeger. Ik ben heel depressief geweest. Maar het verschil met bijvoorbeeld Joost Zwagerman is dat mijn depressies altijd het gevolg waren van aanwijsbare mislukkingen. Mijn twee huwelijken bijvoorbeeld en afwijzingen door weer andere vrouwen. Ik heb het gevoel dat het bij Zwagerman essentiëler was. Levenswanhoop.”
 

Ik was alleen maar bezig met wijven. Mooie, lelijke - het maakte amper verschil


U kende hem? 
„Niet goed. Wel ben ik op zijn bruiloft geweest. Per toeval. Ik begeleidde dichter Jean-Pierre Rawie, die nog naar een bruiloft in Amsterdam moest. Het bleek het feest van Joost te zijn. Bij binnenkomst volgde een van de meest triomfantelijke momenten uit mijn leven. Zowel Zwagerman als Adri van der Heijden kwam op me af. Ik sloeg steil achterover dat ze me kenden. Wat bleek? Ze hadden als jongens allebei een schooloptreden van me meegemaakt. Ze hoorden tot de weinigen die dat leuk vonden: een in zichzelf gekeerde man die achter een piano stijfjes liedjes zit te zingen.”
 


Tragisch wat er met Zwagerman is gebeurd.
„Och man, wat erg. Hij is de eerste dode om wie ik gehuild heb. Ik vond het zo’n geweldige kerel. Mede als gevolg van zijn dood heb ik nu een zelfmoord-ode in mijn nieuwe programma. Ik twijfel er nog steeds over. Misschien is het te emotioneel, te onbeheerst, maar ik beschrijf een zelfmoord van binnenuit. Ik ben een ervaringsdeskundige, zal ik maar zeggen.” 
 
U sprak niet eerder openlijk over uw zelfmoordpoging eind jaren 80. Waarom nu wel?
„Ik was geraakt door de reacties op Joosts dood. Veel mensen waren boos. ‘Hoe kon hij?’ Maar ik heb vooral medelijden: wat heeft die man gevochten. Jarenlang moet hij die existentiële wanhoop hebben onderdrukt. Dat moet vreselijk zwaar zijn geweest. Bovendien vind ik zelfmoord geen moord. Het is een eervolle manier om jezelf uit het leven terug te trekken.
Een andere reden waarom ik het nu wel durf, is dat ik zeker weet dat de zaal aanvoelt: we hoeven niet bang te zijn dat deze man bij thuiskomst rare dingen zal doen. Dat was een jaar of twintig geleden toch anders, denk ik.”
 
Wat is er veranderd?
„Ik zie er toch niet meer gebroken uit? Hopelijk zie jij iemand die veel heeft overwonnen. In voorstellingen vertel ik veel over mijn mislukkingen. Gek genoeg is een aanzienlijk deel daarvan toch op zijn pootjes terechtgekomen. Geslaagde mislukkingen, dat zou eigenlijk de ondertitel van mijn boek moeten zijn.”
 
Dat gevoel wat u tot die zelfmoordpoging bracht. Zit dat nog ergens in u? 
„Af en toe komen er nog beelden in mijn hoofd, ja. Vreselijke momenten zijn dat. Maar dan schud ik met mijn kop als een hond die in het water heeft gelegen en dan trekken ze goddank weer weg.”
 
Dat klinkt eenvoudig.
„Weet je wat het grote voordeel van de tijd is? Die maakt alles wat geweest is toch lichter.” 

  
Tijd heelt dus echt alle wonden?
„Ja. Maar hij slaat er nog veel meer. Er komen altijd wonden bij. Dat kan niet anders. Het leven blijft een onzekere zaak. Neem de dood. Al die mensen die al uit mijn leven zijn verdwenen! En er zullen er nog meer volgen. Een heel beklemmende gedachte vind ik dat.”
 


Hoe zit dat met uw eigen dood?
„Daar ben ik niet bang voor. Je gaat terug naar het niets. Meer niet. Als jongeling dacht ik: wat vreselijk voor al die oudjes! Die zien het graf steeds dichterbij komen. Maar het voordeel van ouder worden is: je bent niet de enige. Iedereen van mijn leeftijd zit ermee en daardoor is het makkelijker te accepteren. Ik vind 75 mijn leukste leeftijd tot nu toe. Als ik het vergelijk met 30 of 40 jaar geleden. Man, die wanhoop. Het gebrek aan waardering. Geldgebrek. Drank en katers. En ik was alleen maar bezig met wijven. Mooie, lelijke - het maakte amper verschil.”
 
Hoe bent u uit die depressieve periode geraakt?
„Er is een definitieve breuk gekomen na mijn ziekte in 1997. Ik had buikvliesontsteking, 5 procent kans om de operatie te overleven. Na afloop was er niets meer van me over, een wrak was ik. Maar juist vanaf het nulpunt blijkt een mens weer te kunnen opveren. Ik bleek ineens te kunnen genieten van het uitzicht op een takje kornoelje dat in de wind bewoog. Het is een cliché zo groot als een reuzenrad, maar het geluk zit in kleine dingen. Ik ben vanaf dat moment het vogelen ook serieuzer gaan nemen. Het spotten zelf werd zo steeds leuker, maar het schrijven erover ook. Ik zat zingend op de snorfiets als ik er weer op uit ging. Op zo’n moment voel je je stukken beter dan wanneer je om 4 uur ’s nachts slingerend uit de kroeg komt. En dan heb ik het nog niet eens over de katers.”
 
Drinkt u nog?
„Vanaf 1994 geen druppel meer. Ik mis het geen seconde.”

 
Denkt u niet soms: wat zonde dat ik al die jaren heb vergooid aan de alcohol? 
„Tja, daar moet je niet te lang bij stilstaan, ik kan het niet meer wissen. Misschien had mijn leven er heel anders uitgezien als ik niet in die drank was meegegaan. Maar het had ook een grote mislukking kunnen worden. De drank heeft me niet alleen schade berokkend: door alcohol kun je het leed dieper voelen. Daarover heb ik mooie teksten kunnen schrijven.”
 
U had een moeilijke jeugd met een stiefvader die u mishandelde en een moeder die daar niet tegen optrad. Een geval van ‘a rotten childhood is a writer’s goldmine’?
„Echt grote schrijvers hebben dat niet nodig. Die hebben zo’n fantasie dat ze de verhalen zelf wel verzinnen. Maar voor de categorie daaronder, die van mij, is het mooi meegenomen, zo’n rotjeugd.”
 
Had u, terugkijkend op alles wat u vervolgens meemaakte, toch niet liever een zorgeloze kindertijd gehad?
„Nee. Echt niet. Dat zou mijn wereld niet zijn. Ik ben die vreselijke stiefvader nog steeds dankbaar. Al was het maar om de grappen die ik over hem heb gemaakt.”
 
Heeft u weer vertrouwen in de liefde?
„Ik zou best weer geschikt zijn als huisgenoot. Ik kan meer hebben en doe ook wat voor een ander. Dat was vroeger toch anders. Ik dronk of was aan het werk. Dat waren de twee smaken.”
 
Wat let u?
„Ik heb na mijn operatie de vrouwen op een zijspoor gezet. Tot er laatst na een voorstelling een vrouw naar me toe kwam van een jaar of 35. Na een paar minuten met haar te hebben gesproken, dacht ik: jou wil ik wel langere tijd over de vloer hebben. Dat gevoel had ik jaren niet gehad”.

Opmerkelijk dat u zo snel zag dat ze een geschikte huisgenoot zou zijn.
„Veertig jaar geleden had ik dat drie keer per week, maar nu ben ik kritischer.”
 
Drie keer per week de ware liefde ontmoeten klinkt ook wel vermoeiend.
„Ach, het gebeurt me nog vaak dat ik meisjes zie lopen en denk: hoe bestaat het? Ik kan die schoonheid nog steeds niet begrijpen. Als zo’n schepsel dan naar me glimlacht, ben ik helemaal blij.”
 
U voelt niet langer de behoefte haar te verleiden tot meer? 
„Nee. Dat is echt de leeftijd. Ik kan naar een vrouw kijken en denken: ‘Wat een verrukkelijk wezen’, maar ik hoef er zelf niets meer mee. Dat is een grote rust.” 
Hij staat op voor een tweede kopje thee en roept vanuit de keuken: „De jeugd moet dus vooral niet denken dat de oude dag alleen maar kommer en kwel is. Er zijn zoveel mooie rustmomenten, waarvan je ook nog eens veel intenser geniet.”
 
Maar over geluk schrijft u niet.
„Jawel hoor. Een ode aan een pas ontdekt vogeltje, dat kan best leuk worden. Maar ellende gaat me makkelijker af.”
 
Beschrijf de euforie eens van het spotten van een vogeltje.
„Ik kom er door de drukte van de nieuwe voorstelling te weinig toe eropuit te gaan, maar laatst dacht ik: stik de moord maar, al komt dat programma niet af, ik ga nu het bos in. Was ik na tien passen al omringd door staartmezen. Och man, die hebben zo’n leuk geluid.” In extase: „En ooh, die lieve snoetjes. En even verderop: goudhaantjes! Dan huppel ik bijna door het bos. Dat is echt geluk. Vogelen is echt een bron van levensvreugde. En daarbij zijn mijn boeken erover een groot succes. Dus zijn die diertjes echt mijn gevederde vrienden: ze ondersteunen mij ook financieel.”
 
Als het leven morgen eindigt, wat is dan voor u de zin geweest?
„Mijn kinderen. En mijn werk. In die volgorde. Die twee kinderen, zo geweldig dat ze op de wereld zijn. Ik word blij als ik hen zie. Omdat ze zo leuk zijn allebei.”
U bent dus een gelukkig man?
„Nee, dat kan ik niet zeggen. Maar ik heb veel gelukkige momenten. En ik kan genieten. Dat heb ik altijd gekund. Zelfs toen ik na mijn zelfmoordpoging een half jaar in een kliniek zat, maakte ik veel leuks mee. Creatieve therapie. Ik heb me geweldig vermaakt met boetseren en schilderen.”
 
U zei in 2008 ‘Ik houd niet van Hans Dorrestijn’.
„Dat had ik eigenlijk moeten nuanceren. Ik houd af en toe best van hem. Misschien zelfs wel meer dan de helft van de tijd.”

 

 

Je las zojuist een gratis artikel


Niet alle artikelen zijn gratis, want zogeheten Plus-artikelen zijn alleen te lezen door abonnees. Zonder abonnees kunnen we namelijk geen betrouwbare regionale journalistiek maken. Je leest al onze artikelen vanaf €4,50 per maand.

Bekijk de aanbieding →