Limburgse vlaai of Parmezaanse kaas?

Print
Limburgse vlaai of Parmezaanse kaas?

Afbeelding: Fotolia

Er stond deze week een verhaal in deze krant over de vraag of ‘Limburgse vlaai’ niet een soort keurmerk moet krijgen. Net zoals Parmezaanse kaas. Dat toekennen van ‘Limburgse’ kenmerken aan producten, gewoonten, tradities, klederdrachten of karaktertrekken fascineert me.

Vooral het gemak waarmee dat vaak gebeurt. Limburgse carnaval, Limburgse gastvrijheid, Limburgse schutters, Limburgse identiteit. Waar we natuurlijk allemaal ‘trots’ op moeten zijn. Maar onderzoek eens. Die vlaai ‘van ons’ hebben ze in België ook. Dat carnaval ‘van ons’ zie je in Duitsland ook. Ik heb ooit bij wijze van experiment ‘ons oeroude Limburgse zuurvlees’ terug gespeurd tot aan zijn wortels. Bij oppervlakkig graven bleek al dat het Duitse Sauerbraten en het Belgische Vlaamse schep of de carbonades Flamandes op zijn minst nichten zijn van ‘ons’ zuurvlees, als het al niet zusjes of tantes zijn. Dit soort gerechten begint en stopt niet bij door mensen bedachte grenzen. Afgebakende grenzen bestaan niet in de eetcultuur en ook niet in cultuur in het algemeen. De techniek van het zacht maken van (zenen en eiwitten in meestal inferieur) vlees via zuren (azijn, citroensap, vruchtenzuren) en vervolgens zacht garen en weer aanzoeten met fruit of stroop is ooit door de Moren naar Europa gebracht. Die techniek heette toen Asik-bay. Asik is zuur of azijn. Bay is eten. Je hoort dat ook in de Europese taal. Asik. Azijn. Essich. Acid. Dat… is traditie.