De Limburgse taal: veerkrachtig en taai

Print
De Limburgse taal: veerkrachtig en taai

Afbeelding: Veldeke

Veldeke Limburg wordt 90 jaar. Sinds 1926 probeert ‘ Veldeke’ de Limburgs taal en volkscultuur te bevorderen en verder te ontwikkelen. Nu eens als aanjager dan weer als volger. Veerkrachtig en taai. Zo blijkt uit het jubileumboek ‘Veldeke Limburg,1926-2016’ , dat gisteren officieel is gepresenteerd.

Tv- journalist Twan Huijs bekende vorige week dat hij last had gehad van het Calimero-complex, waaraan Limburgers lijden. Het had geen verlammende uitwerking op hem gehad. Integendeel: ,,Ik wilde wel eens laten zien wat ik kon.” De Sevenummer maakte van een bedreiging een kans.. Hetzelfde kan gezegd worden van Veldeke, de vereniging die zich sinds 1926 inzet voor de bevordering van de Limburgse taal en volkskunde. Ontworstelde Sevenummer Huijs zich buiten Limburg - van New York tot Hilversum - aan zijn Calimero-complex, Veldeke deed dit in Limburg zelf. Is veel lastiger. Ook zonder Calimero-complex is het niet eenvoudig je weg te vinden in Limburg met zijn subtiele maatschappelijke conventies, katholieke ambivalenties, veelvoud aanonlijke gevoeligheden. Veldeke was nu eens aanjager dan weer volger van sociaal-culturele ontwikkelingen. In het begin timide en voorzichtig, later steeds mondiger en zelfbewuster, zeker na 1997, na de erkenning van het Limburgs als streektaal. Zo blijkt uit het rijk geïllustreerde en gedocumenteerde boek, uitgegeven door jubilaris zelf ter gelegenheid van zijn 90-jarig bestaan. Veldeke voorzitter Lei Heijenrath ( 79) geeft aan ,,opgelucht” te zijn dat het karwei er na jaren van voorbereiding op zit. 

Ik wilde wel eens laten zien wat ik kon.

Maar waarom niet over 10 jaar met het eeuwfeest een naslagwerk van 100 jaar Veldeke presenteren? „We vonden dat we al te lang hadden gewacht met de inventarisatie van de geschiedenis van Veldeke.” Daarbij kwam dat het Limburgs Museum aangaf geen plaats meer te hebben voor het ongeordende en ontoegankelijke Veldeke-archief. „We hebben onderdak gevonden in het gemeentearchief van Roermond. Tal van vrijwilligers hebben bewonderenswaardige arbeid verricht. Ons archief is op orde en toegankelijk gemaakt. Het is verrijkt met persoonlijke documenten van oud-medewerkers, beschikbaar gesteld door hun familie.” Op basis van dit rijke archief is historicus Luc Wolters aan de slag gegaan. „Hij kreeg de opdracht om zichtbaar te maken dat Veldeke deinde op de golven van de maatschappelijke ontwikkeling.” Zeker wat betreft de voorgeschiedenis van de oprichting van Veldeke in 1926 is Wolters er goed in geslaagd om te voldoen aan deze opdracht, zij het dat de lezer nogal eens het hoofd schudt bij de vele krakkemikkige zinnen en onnodig gezochte formuleringen. Om nog maar te zwijgen van de overkill aan namen in het boek.

Hij kreeg de opdracht om zichtbaar te maken dat Veldeke deinde op de golven van de maatschappelijke ontwikkeling.

Duidelijk wordt gemaakt dat Veldeke op de schouders staat van al diegenen die in de 19de eeuw hebben geschreven en gedicht in hun lokaal dialect. Zij werden vaak vervelend op de vingers gekeken door de clerus, die meer op had met het bewaken van de juiste katholieke moraal van zijn kudde en de eigen emancipatie binnen het nog verse Koninkrijk der Nederlanden dan met het bevorderen van het dialect. Pas na 1840 werd het gangbaar om meer in het Limburgs te gaan schrijven omdat er meer aandacht kwam „voor de eigen identiteit”, aldus Wolters. De kreet ‘Houdt Limburg’s taal in ere’ uit 1892 vond pas actief weerklank toen Limburg en zijn taal ‘bedreigd’ werden door de stormachtige ontwikkelingen na 1900, met name de Eerste Wereldoorlog en de komst van de mijnen. Veel vreemden met andere tongvallen, gewoontes en religies kwamen Limburg binnen. „Veldeke is op spontane wijze tot stand gekomen uit de onderbuikgevoelens die een vrees voor de teloorgang van de eigenheid en de dialecten van de provincie signaleren”, aldus Wolters. Heijenrath voegt er ter nuancering aan toe. „Het waren niet enkel onderbuikgevoelens. De gestudeerde medewerkers hadden ook rationele overwegingen om taal en cultuur van Limburg via publicaties status te geven en te emanciperen.”

De kreet ‘Houdt Limburg’s taal in ere’.

In het begin was Veldeke vooral een zaak van notabelen (leken en geestelijken). Groot waren de invloed en bijdragen van intellectuele zwaargewichten als Edmond Jaspar, Edmond Franquinet en de uit Venlo afkomstige, in Nijmegen docerende prof. Winand Roukens. Hem zwaait de Veldeke-voorzitter lof toe voor zijn wendbaarheid en moed tijdens de oorlog. „Hij slaagde erin om ‘met de Kulturkamer in de nek’ Veldeke te laten verschijnen en gedichten op te nemen die hem de kogel hadden kunnen opleveren. Hij deed dit omdat hij zag hoezeer gedichten over Limburgs schoonheid de burgers troost bood in de oorlog.” Een waardering die niet gedeeld zal worden door iedereen. Velen zullen een principiëlere houding meer op zijn plaats hebben gevonden tegenover de bezetter, die Joden, onderduikers en verzetsmensen liet oppakken en fusilleren in het bronsgroen eikenhout.
De emancipatie van het dialect kreeg na de oorlog een geweldige impuls door de toen razend populaire troubadours als Jo Erens, Sjef Diederen en Frits Rademacher en de vele buutteredners. Ze vormden een welkome aanvulling op de vele ‘Veldeke taal- en volkskundegeleerden’ met hun vaak moeilijk toegankelijke verhandelingen. „Dat iemand als Erens op zo’n authentieke en aangrijpende wijze persoonlijke gevoelens in het dialect kon verwoorden, ontroerde mij en vele van mijn leeftijdsgenoten erg.” Na de romantische troubadours kwamen meer maatschappijkritische zangers en groepen als Carboon, Herman Veugelers, de Janse Bagge Bend. En nog later Rowwen Hèze, Gé Reinders en Arno Adams. „Samen met de Limburgse media hebben zij elk op hun artistieke wijze veel bijgedragen tot de volwassenwording van het dialect.” Maar het dialect heeft zwaar en lang geleden onder het volgens Heijenrath dubieuze onderwijsonderzoek in Kerkrade van 1954. „Daarin werd gesteld, op basis van aanvechtbare onderzoekscommissies, dat kinderen die met dialect waren opgevoed, op school minder presteren.”

Dat iemand als Erens op zo’n authentieke en aangrijpende wijze persoonlijke gevoelens in het dialect kon verwoorden, ontroerde mij en vele van mijn leeftijdsgenoten erg.

In 1997 kwam dan eindelijk de vervulling van een lang gekoesterde wens: de officiële erkenning van het Limburgs als streektaal. Bijna tegelijk met de aanbieding van de eerste gedrukte aflevering van het Woordenboek Limburgse dialecten aan gouverneur Sjeng Kremers. Veel is sindsdien bereikt door opeenvolgende provinciale streektaalfunctionarissen, de Raod veur ’t Limburgs en het toenemend aantal dialectlezers, -sprekers en -zangers, benadrukt Heijenrath. Veel werk is er nog altijd. „We hebben gebrek aan mensen met bestuurlijke ervaring, die ook ideeën hebben hoe we de streektaal verder kunnen helpen.” En Veldeke hoopt vooral op een actievere betrokkenheid en interesse van de kant van het provinciebestuur voor de streektaal. „We hebben al maanden geleden een helder plan van aanpak ingediend bij deputé Koopmans. We blijven hoopvol, ook al heeft de deputé aangegeven streektaal niet als een speerpunt van zijn beleid te zien.” Veldeke hoopt niet dat Koopmans’ afzegging voor de presentatie van het jubileumboek de voorbode is van het nieuwe provinciaal streektaalbeleid. Veerkrachtig zal Veldeke dus moeten blijven. 
 
De vooorintekening voor het jubileumboek sluit 1 maart: www.jaorvandelimburgsedialekte.nl

 

Je las zojuist een gratis artikel


Niet alle artikelen zijn gratis, want zogeheten Plus-artikelen zijn alleen te lezen door abonnees. Zonder abonnees kunnen we namelijk geen betrouwbare regionale journalistiek maken. Je leest al onze artikelen vanaf €4,50 per maand.

Bekijk de aanbieding →