'Er zijn altijd drie boeken leeg'

Print
'Er zijn altijd drie boeken leeg'

Afbeelding: Jean Pierre Jans

Zijn werk is niet autobiografisch, maar toch laat kinderboekenschrijver Jacques Vriens zich veel inspireren door dingen die hij meemaakt. Het resultaat na veertig jaar is een rijk oeuvre vol persoonlijk getint werk. De teller staat op ruim honderd boeken, en ook al viert hij vandaag zijn zeventigste verjaardag, zijn verhaal is nog lang niet verteld. Een gesprek over hoe een onzeker jongetje met dyslexie een van de meest succesvolle jeugdboekenauteurs van Nederland werd.

Kleine Jacques later een succesvol kinderboekenschrijver? Grote kans dat de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis, zijn basisschool in Helmond, niet zouden bijkomen van het lachen als je ze K in de jaren vijftig deze vraag had gesteld. 
Een kind dat niet kan schrijven? Wiens dictees er na correctie uitzien als een rood slagveld? Met op zijn rapport een vier voor taal? Jacques, een schrijver? Onmogelijk.  Vandaag wordt die jongen, met die beperkte taalvaardigheid, zeventig jaar. Tegen alle verwachtingen in ontpopt hij zich tot een van de meest succesvolle Nederlandse kinderboekenauteurs ooit. Hij zit veertig jaar in het vak. Een unicum. In die afgelopen vier decennia verschenen meer dan honderd titels van zijn hand, samen goed voor ruim vier miljoen verkochte exemplaren. Zijn boeken werden films, een tvserie, theatervoorstellingen. En met die taalvaardigheid kwam het goed. „Ik maak nog steeds fouten, maar met de spellingscontrole op de computer, een vrouw met verstand van taal en een goede redacteur bij mijn uitgever kom ik een heel eind.” 

IJDEL
Jacques Vriens is een ijdel man. Wie je uit zijn directe omgeving ook spreekt, ze zeggen het allemaal. Hij geniet van aandacht. Speelt graag rolletjes in de verfilmingen van zijn eigen werk. Maakt niet uit hoe klein ze zijn. Het etiket ‘meesterverteller’ dat anderen hem opplakken, hij kan er oprecht van genieten. De statistieken maken hem apetrots. 
Hij is een van de langst actieve, best verkopende jeugdauteurs van Nederland. Tegelijk zeggen cijfers bar weinig, vindt hij. „Kijk naar Ann Rutgers van der Loeff. Een van de grootste schrijfsters uit de vorige eeuw. Won in de jaren vijftig de Nederlandse Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur. Wie kent haar nu nog? Bekendheid is zo relatief. 
Wie weet over dertig jaar nog wie Jacques Vriens is?” Ann Rutgers van der Loeff. Hij noemt haar naam niet voor niets. 
Net als die van bibliothecaresse juffrouw Van Boxtel. Zonder hen had hij waarschijnlijk nooit een carrière als schrijver nagejaagd. Dankzij deze twee vrouwen ontwikkelt hij een grenzeloze liefde voor boeken. „De basis voor mijn schrijverschap legde ik in de bieb. Nadat ik series als Arendsoog en Pim Pandoer als een waanzinnige had uitgelezen, gaf juffrouw Van Boxtel me De Kinderkaravaan van Ann Rutgers Van der Loeff. Een boek over een gezin dat eind negentiende eeuw van de Amerikaanse west- naar de oostkust trekt op zoek naar een beter leven. 
Asielzoekers avant la lettre. Een zware, spannende tocht, de ouders gaan dood, de kinderen komen indianen, beren en cowboys tegen. Maar belangrijker: het boek fascineerde me vooral omdat er echte mensen in voorkwamen. Kijk, in Arendsoog, waren de personages alleen maar goed. Er zat geen enkel vlekje aan. In De Kinderkaravaan speelden echte kinderen de hoofdrol. Die plaagden, twijfelden, troostten, maakten muziek met elkaar. Zoals Ann Rutgers van der Loeff wilde ik ook schrijven. Realistisch.” 

LEZEN
Tussen 2013 en 2015 is Jacques Vriens de eerste Kinderboekenambassadeur van Nederland. Een periode waarin hij zich vooral ontpopt als een groot voorvechter van kinderen laten lezen. Lezen heeft thuis in huize Vriens niet bepaald prioriteit. „Er stonden drie boeken in de kast. De RK mens en zijn seksualiteit, De Ramp over de Watersnoodramp in 1953 en 25 jaar Jansen en Wouterlood, een boek over het bedrijf waar mijn vader werkte. Geen titels voor kinderen. Mijn eerste boek kreeg ik van een tante: het gouden boekje Poes Pinkie. Voorlezen? Niet dat ik me kan herinneren. 
Ik heb mijn ouders ook nooit met een boek gezien. Daar hadden ze geen tijd voor. Mijn moeder heeft mij en mijn broer wel hoorspelen laten luisteren en elke dag Het klokje van zeven uur.” 

VOORLEESBROEDER
De eerste aanzet tot lezen geeft een van de broeders op school. „Aan hem heb ik goede herinneringen. School was hard en saai, we zongen nooit, handvaardigheid bestond niet. Zitten en leren. Taal, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde. Hard werken en niet zeuren. Een broeder las twee keer per dag twintig minuten voor. En op zaterdagochtend de hele morgen. Op die momenten mocht je gaan zitten zoals je wilde. Als hij begon te vertellen, zakte ik onderuit, legde ik mijn hoofd op mijn armen en zag ik het verhaal helemaal voor me. Het was prachtig. Alleen had hij de gewoonte om op spannende momenten te stoppen. Dat begon me te irriteren. Eenmaal in de bieb kon ik mijn eigen leestempo bepalen.” 

ONZEKER
Vriens groeit op als onzeker jochie. Niet alleen is er de dyslexie, zijn klasgenootjes lachen smakelijk om zijn vele taalfouten, maar ook de scheiding van zijn ouders, hakt er flink in. „Ze begonnen een hotel in Helmond, Sint Lambert, met het idee dat ze hun huwelijk nog konden redden. Mijn moeder runde het hotel, mijn vader hield voor de zekerheid zijn baan aan. Eigenlijk kwam hij toen al nauwelijks meer thuis. Later is hij, tot grote woede van mijn moeder, bij zijn vriendin gaan wonen. Een scheiding in de jaren vijftig was natuurlijk nogal een ding. Als kind hielden ze je overal buiten. Af en toe haalde hij ons op voor een dagje. Ik vond hem een lieve, zachtaardige man. Als je hem naast het felle van mijn moeder zet, snap ik achteraf wel waarom die twee het moeilijk hadden. Na het vertrek van mijn vader was het sappelen voor mijn moeder om rond te komen. Ze vond op enig moment dat mijn vader meer alimentatie moest betalen. Na een hoop stampij heeft ze mijn broer en mij met een koffer naar mijn vader gestuurd met de mededeling dat hij ons maar moest nemen. Ze wist dat hij dat nooit zou doen.Wij kwamen dus gewoon terug naar huis. En de alimentatie ging omhoog. Mijn moeder was een zorgzaam mens, het ontbrak ons aan niets. Maar ze was geen knuffelmoeder, niet iemand die haar armen om je heen sloeg. Twee jaar lang hebben we een kindermeisje gehad: Betsie. Zij gaf ons warmte. Bij haar kroop ik op schoot, dat had ik daarvoor bij mijn moeder nog nooit gedaan.” Toch omschrijft Jacques Vriens zijn jeugd als redelijk gelukkig. Opgroeien in een hotel, je moet het doen met hardwerkende ouders met weinig tijd, maar verder is het een groot feest. Altijd gasten over de vloer en personeel aan het werk, er is altijd iets te beleven. De toneelzaal bij het hotel is de manier voor de jonge Jacques Vriens om te vluchten uit de dagelijkse realiteit. Als kind verzint hij talloze toneelstukken en verhalen, die hij vervolgens samen met andere kinderen opvoert. „Vanuit mijn thuissituatie en school is, denk ik, mijn fantasie ontwikkeld. 
Ik kon in dat zaaltje een andere wereld oproepen. Gordijnen, gekleurde lampen, alles zat erop en eraan. Als we een voorstelling af hadden, pakte mijn moeder uit: ze regelde uitnodigingen, zorgde dat er publiek kwam kijken en in de pauze gaf ze iedereen limonade of een pilsje. Uit deze fantastische ervaringen haalde ik een positief gevoel.” 
Midden in een strenge winternacht brandt het hotel van zijn ouders echter volledig uit en is het gedaan met de toneelvoorstellingen. Maar, de behoefte om verhalen te verzinnen en te vertellen is geboren en zal nooit meer verdwijnen. 
Hij doet toelatingsexamen op de toneelschool. „Ik deed de monoloog uit Cyrano de Bergerac en een improvisatie van een telefoongesprek. 500 kandidaten, 8 plekken. Na een kwartier werd ik bedankt en was de volgende aan de beurt. Dat liep op niets uit.” Vriens geeft het toneelspelen niet op: hij maakt tot op de dag van vandaag nog altijd voorstellingen, acteert af en toe en is tegenwoordig ook regisseur in het amateurtoneel. Als een carrière als professioneel acteur niet voor hem blijkt weggelegd, kiest hij voor het onderwijs, een schot in de roos. Hij wordt basisschoolleraar en later directeur. In de avonduren schrijft hij. Zijn eerste boek Die rotschool met die fijne klas, geïnspireerd op gebeurtenissen in zijn klas, verschijnt in 1976. Een heftig jaar, want hij krijgt een scheiding voor de kiezen. Hij wil daar niet te veel over kwijt, het zet zijn leven en dat van zijn zoons op z’n kop. Hij hertrouwt met Thérèse, ze zijn alweer jaren samen en wonen in Gronsveld. Een plek waar hij warme herinneringen aan heeft vanwege vakantiewerk dat hij als tiener jaarlijks doet in Kasteel Rijkholt, destijds een jeugdhotel in de zomermaanden.

OVERSTAP
„In 1992 schreef ik het kinderboekenweekgeschenk. 
Dat heeft mijn naamsbekendheid enorm vergroot. Mijn uitgever zei: ‘Als je ooit fulltime wilt schrijven, moet je het nu doen.’ Het duurde nog een jaar voordat ik de stap zette. Nadat ik ’s nachts wakker, de tranen liepen over mijn gezicht. Ik had het gevoel dat ik de kinderen in de steek liet. Het heeft toen nog drie maanden geduurd voordat ik mijn beslissing op school bekend kon maken. Ik had het rationeel weliswaar op een rijtje, maar emotioneel voor geen meter. 
Ik zou niet terug kunnen naar het onderwijs van nu. De toets- en testcultuur, ik heb er niks mee. Ik zou geheid ruzie krijgen met de inspectie. Voor mij is een schoolklas de wereld in het klein. Binnen die wereld moeten kinderen zich veilig voelen. 
Dat is het allerbelangrijkst.” Vanwege de pas verschenen herdruk neemt hij zijn eerste boek er nog eens bij. Komt de sfeer in de klas zoals hij die beschrijft nog overeen met de realiteit van nu? Is de schoolmeester die hij opvoert nog van deze tijd? Het verrast hem bijna hoe goed dit boek de tand des tijds heeft doorstaan. Op het vervangen van een krijtbord door een smartboard en het toevoegen van een mobiele telefoon na, hoeft hij niets aan te passen. „Maar ik heb me af en toe wel geërgerd aan mijn eigen schrijfstijl. Ik herhaal in dat eerste boek soms veel. Dan leg ik iets uit, ga ik het daarna nog een keer doen. Kinderen hebben jullie het wel begrepen? En af en toe staan er ronduit slechte zinnen. 
Ik vind dat ik een betere schrijver ben geworden. Ik ben geen type dat de verhalen zo poëtisch mogelijk op papier zet. Ik ben een verhalenverteller die toegankelijk wil schrijven. Dat is de schoolmeester in mij. De nacht nadat ik besloten had te stopppen in het onderwijs en fulltimeschrijver te worden, stroomden de tranen over mijn wangen. “ Kinderen moeten plezier hebben als ze mijn boeken lezen. Natuurlijk vind ik het belangrijk dat de verhalen ook een diepere laag hebben, want het leven is niet alleen maar lang leve de lol. Mijn kracht is dat ik thema’s aanstip die heel gewoon zijn. Ook vervelende zaken, maar op zo’n manier dat het geen drama wordt. Dichtbij de emotie van kinderen, Herkenbaar. Op Achtste groepers huilen niet (over een van zijn leerlingen die overleed aan leukemie, red.), toch zware kost, krijg ik reacties dat lezers erom hebben gehuild, maar ook om hebben gelachen. Dat is een van de grootst denkbare complimenten.” 

INSPIRATIE
Het werk van Jacques Vriens is niet autobiografisch, maar dingen die hij meemaakt zijn wel een duidelijke inspiratiebron. 
Zijn jeugd in het hotel komt terug in de De Bende van de Korenwolf. Zijn belevenissen als leraar zitten verstopt in meerdere schoolverhalen. Meester Jaap in de gelijknamige boeken is hij zelf. Zijn zoons figureren in zijn boeken, uitspraken van zijn kleinkinderen komen terug. Soms tot zijn eigen verrassing. Zoals zijn broer Jan, die jong overleed na een noodlottig ongeluk tijdens hevig onweer. Hij duikt zonder Vriens het vooraf bedacht op in Tien Torens Diep, een verhaal over vriendschap in de tijd van de mijnen. Zijn eerste historische roman, Weg uit de Peel, noemt hij als boek dat het dichtst bij hemzelf komt. „Het is me erg dierbaar. Het gaat over een haar wereld, terwijl iedereen er alles aan doet om haar zo klein mogelijk te houden. Het haakt aan bij het gevoel dat ik had als kind. Je moet het zelf doen in je leven. Mensen kunnen je dingen aanreiken, maar je moet je eigen weg zoeken. Dat is ook wat ik heb gedaan. Alles wat ik wilde, boeken en toneelstukken schrijven, ben ik gewoon gaan doen. Maar, dat onzekere jongetje is er nog steeds af en toe. Er is een hoop misgelopen in mijn leven, die onzekerheid is er daardoor ingesleten. De scheiding van mijn ouders, de brand in het hotel, het wegvallen van mijn broer, mijn eigen scheiding. Natuurlijk zijn er ook momenten dat je er geen last van hebt. Bij de première van Oorlogsgeheimen zat ik naast prinses Laurentien. Zo’n moment is de ultieme bevestiging dat je er als schrijver mag zijn.” Hij zit inmiddels in de levensfase dat schrijven niet meer hoeft. Hij kan het zich permitteren om met pensioen te gaan. „Ik bezocht ooit een school waar een kleuter me vroeg: hoeveel boeken zijn er nog leeg? Een prachtige vraag, bijna filosofisch. Ik had een kletsverhaal kunnen ophangen, maar ik zei haar: ‘Drie. Er zijn nog drie boeken leeg.’ 
Dat antwoord stemde haar tevreden. In de trein naar huis dacht ik nog eens na. En verdorie! Het zijn inderdaad drie boeken. Ik heb altijd drie plannen in mijn hoofd. Zodra er een boek af is, schuift er altijd weer een nieuw idee voor in de plaats. Ook nu ik zeventig ben.” 
 

PASPOORT JACQUES VRIENS
Jacques Vriens (1946) werd geboren in Den Bosch, maar bracht zijn jeugd grotendeels door in Helmond, waar zijn ouders een hotel runden. Nadat het hotel bij een brand verwoest werd, verhuisde Vriens met zijn moeder naar Amsterdam. Vanaf zijn afstuderen aan de kweekschool tot 1993 werkte hij in het onderwijs, eerst als leerkracht, later als schooldirecteur. Zijn eerste boek ‘Die rotschool met die fijne klas’ verscheen in 1976. Sinds 1993 is hij fulltimeschrijver. De boeken ‘Oorlogsgeheimen’ en ‘Achtste groepers huilen niet’ zijn verfilmd, ‘Tien torens diep’ werd een tv-serie. Ook staat hij regelmatig met eigen werk in het theater. In 2013 werd hij de eerste Kinderboekenambassadeur van Nederland. Dit jaar viert hij zijn veertigjarig jubileum als schrijver. Op dit moment legt hij de hand aan de historische roman ‘Smokkelkinderen’. Vriens woont met zijn tweede vrouw Thérèse in Gronsveld. Hij is vader van Boris en Casper en heeft drie kleinkinderen: Jelle, Evi en Esther. 

Je las zojuist een gratis artikel


Niet alle artikelen zijn gratis, want zogeheten Plus-artikelen zijn alleen te lezen door abonnees. Zonder abonnees kunnen we namelijk geen betrouwbare regionale journalistiek maken. Je leest al onze artikelen vanaf €4,50 per maand.

Bekijk de aanbieding →