Leven met DSM valt niet mee

Puk Schievink (61) in een voormalig pand van DSM Research, dat nu wordt gebruikt door de Chemelot Campus.

Puk Schievink (61) in een voormalig pand van DSM Research, dat nu wordt gebruikt door de Chemelot Campus. © Ermindo Armino

Mijnwerkerszoon Puk Schievink schreef een boek vol anekdotes over zijn leven in dienst van DSM, de opvolger van de staatsmijnen.

Peter Bruijns

Puk Schievink groeide op in Terwinselen (nu een wijk van Kerkrade), in een familie die uit Noordoost- Nederland naar het zuiden was afgezakt om in de mijnen te werken. Als zevende in een gezin met elf kinderen luisterde hij geboeid naar de stoere verhalen die zijn opa, vader en ooms vertelden over het ondergrondse leven. Nadat in 1973 de laatste staatsmijn dichtging, werden veel ‘koelpieten’ omgeschoold tot operators: fabrieksarbeiders die de chemische installaties en apparatuur van DSM draaiende houden.

Over hun belevenissen is veel minder bekend, constateerde Schievink: de boeken over het chemieconcern zelf staan vol voetnoten en namen en foto’s van directeuren, maar het wel en wee van het gewone DSM-personeel is nauwelijks beschreven. Ook zijn fouten van de DSM-directeuren amper in de literatuur aan bod gekomen, Schievink noemt als voorbeeld het grote ‘lysine-debacle’ in de jaren zestig.

De onderzoekers van DSM hadden een manier gevonden om kunstmatig eiwit te maken. Schievink herinnert zich dat „tientallen miljoenen” guldens werden uitgegeven om synthetische eiwitten te produceren, die in voedsel en veevoer verwerkt konden worden. De fabriek, die tegenover het centraal laboratorium van DSM in Geleen werd gebouwd, kostte echter twee keer zoveel als begroot. Ook commercieel zat het tegen. „Er was nauwelijks 50 ton lysine geproduceerd, toen de fabriek - een half jaar na de feestelijke opening - al uit bedrijf werd genomen.” Het lysine-debacle was een bittere waarschuwing dat onderzoek en een mooi product niet altijd tot commercieel succes leiden.

Schievink ervoer dat de successen van DSM vaak breed worden uitgemeten, waarbij uitsluitend de directeuren aan het woord komen, maar dat mislukkingen worden doodgezwegen. „Er wordt altijd vergeten dat de positie van de directeur staat of valt met de inzet van het personeel”, aldus de gelegenheidsschrijver. „Er zijn ook veel gewone werknemers geweest die door het bedenken van slimme oplossingen hebben bijgedragen aan het succes van DSM.” Schievink rekent zichzelf daar ook toe. De nauwelijks geschoolde fabrieksarbeider wist zich in een kwarteeuw op te werken tot een vindingrijke expert bij DSM Research.

Collega’s waren kameraden

Na twaalf ambachten, dertien ongelukken - hij werkte eerder kort voor koppelbazen, in de Belgische mijnen en bij het Duitse chemieconcern Bayer - ging Schievink in 1978 bij DSM aan de slag. Het was een staatsbedrijf met bijna 25.000 Nederlandse werknemers. Nu is het een multinational met 20.000 werknemers uit 108 landen. Mensen wilden in de jaren zeventig graag voor DSM werken, herinnert Schievink zich, „al hadden veel mensen angst voor de sissende en stomende fabrieksinstallaties”. Daar stond tegenover dat je een vaste baan en een hoog loon had.

Hij kwam in de ammoniakfabriek te werken. In de nachtdienst moest hij de vanuit de meetkamer de installaties in de gaten houden, terwijl zijn oudere collega in een hoekje ging slapen. De jonge Schievink was niet erg gelukkig in de schamel verlichte, lawaaierige en vette fabriek. Dat was toch een verschil met Bayer in Duitsland: „Daar werd je meer als mens gezien en kreeg je iedere dag een hand van de bedrijfsleiding. Collega’s waren kameraden. Bij DSM mocht je blij zijn als je iemand ontmoette tijdens je dienst.”

Schievink vertelt smakelijk hoe hij en zijn collega’s allerlei hardhandige fratsen en kattenkwaad uithaalden tijdens de ploegendiensten. De mijnwerkerszoon was hondsbrutaal en had geen ontzag voor zijn meerderen. Hij sloeg regelmatig met een vuist bij zijn chefs op tafel. Meestal kreeg hij dan zijn zin.

In 1991 kondigde DSM aan de nietkerntaken te willen afstoten, herinnert Schievink zich: „Wij krabden ons eens achter de oren: wat werd daar mee bedoeld?” Al snel werd de ene na de andere afdeling buiten DSM geplaatst en ondergebracht bij andere bedrijven. Na vier jaar telde DSM 7000 werknemers minder. Uitvoerig beschrijft Schievink de frustraties en de angst onder het personeel in die periode. In 2002 verkocht DSM zijn petrochemiefabrieken aan het Saudische Sabic.

Schievink - die al voor 55 procent was afgekeurd - voelde er echter niks voor om voor ‘die Arabieren’ te werken. „Ik had het gevoel dat ik mijn vader en opa - kortom alle mijnwerkersgeneraties - verraadde, omdat hun erfenis werd verkwanseld aan Arabieren.” Een psycholoog onderzocht hem en kwam na raadpleging van het handboek DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) tot de conclusie dat Schievinks stressbuffers dusdanig beschadigd waren dat er geen reparatie meer mogelijk was. Hij werd voor 100 procent afgekeurd. „Dus ik mocht de rest van mijn leven leven met DSM.”

Schievink vindt het schokkend dat DSM tegenwoordig niet meer herinnerd wil worden aan het mijnverleden: de letters staan niet meer voor Dutch State Mines of Dienst Staats Mijnen. ,,En dan te bedenken dat de chemische tak van DSM opgebouwd is door het kapitaal dat zwaar onderbetaalde mijnwerkers verdiend hebben. DSM heeft niets meer te maken met het mijnverleden, omdat het bedrijf wereldwijd fabrieken heeft gekocht waarvoor de Geleense bakermat, de erfenis van de mijnen, werd verkocht.”

Leven met DSM (247 pag.) is te koop via mooilimburgswebshop.nl

Meer lezen?

Nieuwe actie: Één jaar toegang tot alle Plus-artikelen voor slechts 1,04 per week. Daarmee lees je dagelijks meer dan 100 nieuwe Plus-artikelen op onze site & app. Of kies voor een van onze andere abonnementen.

Ik word digitaal abonnee