Niemand kwam in zijn buurt

Print
Niemand kwam in zijn buurt

Muhammad Ali haalt in Kinshasa uit naar George Foreman tijdens The Rumble in the Jungle in 1974. Afbeelding: ANP

Als je met hem opgroeide, was het onmogelijk om niet van hem te houden. Knap, grappig, atletisch, snel, eigenwijs, zeer principieel, moedig en ja, hij was GOAT: Greatest Of All Time. Afscheid van een gladiator.

Toen Cassius Clay nog een knaap was, vroeg hij zijn jongere broertje Rudolph regelmatig om stenen naar hem te gooien. Rudolph dacht dat Cassius gek was maar deed wat hem gevraagd werd. En hoe goed Rudolph ook zijn best deed, het lukte hem nooit om zijn broer te raken. Cassius was onaantastbaar. Aan sport deed hij toen nog niet. Boksen kwam pas in zijn leven nadat iemand zijn fiets had gestolen. Hij wilde de dief opzoeken en hem een pak rammel geven. Die dief vond hij nooit. De fiets ook niet. De bokser in hem wel. Er zijn talloze verhalen over Muhammad Ali, zijn weergaloze snelheid en zijn gratie. Een grote man die zó sierlijk kon bewegen, kon dansen en zweven door de ring, dat had nog nooit iemand gezien. De faam van Ali als atleet was nooit gebaseerd op de kracht van zijn stoten maar op zijn vermogen om stoten van tegenstanders te ontwijken. Ali was een magiër die defensief boksen tot een kunstvorm verhief. Afgelopen weekeinde maakte een GIF-filmpje van tien seconden op Twitter een ware triomftocht. Het is 1977, Miami Beach. Ali (dan 35) staat in de hoek van de ring, zijn armen rustend op de touwen.

Ali was een magiër die defensief boksen tot een kunstvorm verhief

Hij is, zoals dat in bokstermen heet, open. Vervolgens zien we hoe hij in 10 seconden 21 slagen van de dan 19-jarige Golden Gloves-kampioen en toekomstig wereldkampioen zwaargewicht Michael Dokes ontwijkt door met zijn hoofd en bovenlichaam te bewegen. Zijn armen blijven op de touwen liggen. Het is een verbijsterend staaltje van bravoure, inzicht en lichaamsbeheersing. Tevens heeft het iets ontroerends. Hoe speciaal hij was als atleet, was bij insiders al bekend lang voordat Clay zijn ‘slavennaam’ aflegde, zich aansloot bij de Nation Of Islam en Muhammad Ali ging heten. Hij had in 1960 de Olympische titel in Rome gewonnen en trainde onder de hoede van Angelo Dundee in Florida toen daar de Zweedse extitelhouder Ingemar Johansson arriveerde voor een re-match tegen Floyd Patterson. Johansson wilde een sparring partner en Dundee stelde de toen 19-jarige Cash voor. I’ll go dancin’ with Johansson, rapte Ali, enkele decennia voordat hiphop gemeengoed zou worden. Ali danste Johansson suf. De Zweed kon hem niet raken, kwam niet eens bij hem in de buurt. Cutting of the ring, een tegenstander in een hoek drijven, lukte bij de jonge Ali niemand omdat die veel te rap was. Het was toen al, zoals Ali’s vriend Drew Bundini Brown later zou dichten: float like a butterfly, sting like a bee. Molenwiekend strompelde Johansson achter een knaap aan die hem ook nog come and get me toeriep. Tegen het einde van de tweede ronde was de vernedering zo groot dat de trainer van de Zweed de handdoek wierp.

Hoe speciaal hij was als atleet, was bij insiders al bekend lang voordat Clay zijn ‘slavennaam’ aflegde, zich aansloot bij de Nation Of Islam en Muhammad Ali ging heten

Er is een oude wet in het boksen die zegt dat je zelden neergaat door een klap, hoe hard ook, die je ziet aankomen. Wat tegenstanders van Ali merkten, was dat je zijn punch vaak niet zag aankomen. En dan lig je. Een boom geveld door de steek van een bij. Het is die onaantastbare Ali die in het geheugen van miljoenen mensen is gegrift. Net zoals de bluesgitarist die precies de juiste toon raakt of de voetballer die het onmogelijk geachte doelpunt maakt, kan ook een superieure bokser door zijn stijl en elegantie ontroeren. Als je, zoals de Amerikaanse schrijver Norman Mailer het omschreef, boksen ziet als ‘een dialoog tussen twee lichamen’, dan kun je zeker in grote gevechten alle menselijke zwaktes en sterktes ontdekken in de taal van die lichamen: moed, wanhoop, angst, mededogen en wreedheid. Zijn dood bracht me terug naar eind jaren zestig en begin jaren zeventig toen mijn ouders me ’s nachts wakker maakten om live naar Ali te kijken. De hartstocht die Ali losmaakte bij hen sloeg over op mij. En ook al besefte ik het toen nog niet, mijn affectie voor hem was, net zoals bij miljoenen anderen, volmaakt kleurenblind. Ik heb bij het verzamelen van opnames van zijn gevechten en van boeken en documentaires over zijn leven zelden over Ali gedacht in termen van ‘zwart’ of ‘moslim’. Hij was op de een of andere manier veel groter dan die hokjes. In de jaren zeventig was hij, zeker toen hij de titel in Zaïre terugpakte door de onverslaanbare geachte George Foreman te kloppen, de bekendste man op de planeet. Zelfs mensen die hem aanvankelijk haatten vanwege zijn antiestablishment houding, zijn weigering om naar Vietnam te gaan (no Vietcong ever called me a nigger), zijn activisme onder aanvoering van de dubieuze Elijah Muhammed (blanken zijn duivels) en zijn permanente grote mond, hadden hem in hun harten gesloten. Ali werd groter dan wie ook. Mensen kijken vaak op tegen grote sporters. Maar uiteindelijk is er ook die teleurstelling. Veel idolen hebben geen tekst. Ze zeggen dat ze hun best gaan doen, dat ze zich goed voelen, dat ze willen winnen en dat is het dan. Het is aan de (sport)journalistiek om daar mythische betekenissen op te projecteren. Dat probleem was er nooit met Muhammad Ali. Zijn status als grootste atleet ooit rust niet alleen op zijn monumentale gevechten maar op zijn reputatie als een man die stond voor zijn overtuigingen en dat uitdroeg. Luidkeels en vaak ook heel eloquent.

Zijn dood bracht me terug naar eind jaren zestig en begin jaren zeventig toen mijn ouders me ’s nachts wakker maakten om live naar Ali te kijken

Toen hij zich een tegenstander van de oorlog in Vietnam verklaarde en de dienstplicht weigerde, kostte dat hem zijn titel en kreeg hij een boksverbod gedurende zijn beste jaren. Hij had heel gemakkelijk een verbitterde, haatdragende man kunnen worden, maar uit zijn mond kwamen voornamelijk oproepen tot begrip en dialoog. Niet intellectueel maar spiritueel wist hij velen te overtuigen. Tegen het einde van zijn leven was hij vooral trots op het feit dat hij behoorde tot de meest geliefde mensen ter aarde. „Mijn voornaamste doel is het helpen van mensen en me voorbereiden op het hiernamaals. Misschien was ik groots in de ring, maar buiten het boksen ben ik een broeder net zoals andere mensen. Ik wil een goed leven leiden en God dienen. En nog iets: ik zoek nog steeds uit wie mijn fiets heeft gestolen toen ik twaalf jaar oud was in Louisville. En geloof me, de dader krijgt er van langs. Want het was een heel fijne fiets.” Dat is Ali. Onaantastbaar.