Soms zijn er dagen waarop je als wielerliefhebber niet meer weet waar je het moet zoeken. Dat je niet meer stil kunt blijven zitten, tegen de tv begint te praten, te schreeuwen zelfs. Gisteren was zo’n dag. Die begon nog zo rustig, op de bank: de negende etappe van de Tour de France van Vielha naar Andorra Arcalis werd integraal uitgezonden; meestal zijn zulke etappes oersaai en valt de ontknoping tegen.
 
Eerste moment van opwinding: Tom Dumoulin is mee in de kopgroep, maar iedereen weet: hij heeft tot nu toe de benen niet deze Tour. Hier en daar ontstond al gemor: wordt het nog wat deze Ronde? 

Tweede moment: de Maastrichtenaar lijkt te moeten lossen op de loodzware Col de Beixalis. De tv moet het zwaar ontgelden nu. In mijn achterhoofd zorgt de ‘Danny Nelissen-truc’ voor een strohalmpje: de Limburger werd in 1995 op het WK voor amateurs in Colombia bergop gelost, maar kwam in de afdalingen steeds weer terug om vervolgens in de finale snoeihard aan te vallen. En te winnen.

Derde moment van opwinding: Dumoulin haalt die Nelissen-truc uit. Op de licht hellende flanken van de slotklim gaat hij in de tijdritmodus – zijn specialiteit – en rijdt weg bij de beste klimmers ter wereld, zoals Thibault Pinot, Rafael Majka en Rui Costa. Geslepen vossen, maar niet zo sluw als Dumoulin.

Vierde moment: hij wint! Op karakter, intelligentie en met een stel fantastische benen is hij baas in het Andorrese hondenweer, in de zwaarste rit van deze Tour. De tv krijgt een knuffel. Dit is Pieter Weening in Gerardmer, 2005. Nee, het is meer. Dit is Peter Winnen op Alpe d’Huez, 1981. Nee, het is meer. Dit is Michael Boogerd op La Plagne, 2002. 
Nee, het is meer. De hagel, het toiletcamper- incident daags ervoor, het tactisch vernuft, die oogstrelende zit op de fiets: dit is Tom Dumoulin op Andorra Arcalis, 2016.