Gesneuvelden door het slijk

Print
Gesneuvelden door het slijk

Afbeelding: MGL

Nederlandse soldaten hebben tijdens de politionele acties in Indië op grote schaal extreem geweld gebruikt tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Die conclusie van historicus Rémy Limpach in diens eerder deze week verschenen boek ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’ heeft veteraan Wiel Creemers uit Montfort in het hart geraakt.

Negentien jaar was Wiel Creemers toen hij in oktober 1946 als vrijwilliger inscheepte naar de Oost. Op avontuur, zo voelde het. „Hier lag na de oorlog alles in puin, er was geen werk. Daarom werd ik soldaat. Ons werd verteld dat we de Nederlanders die daar in de Jappenkampen hadden gezeten, gingen helpen om hun leven weer op te pakken. Een humanitaire missie. Pas later kreeg ik in de gaten dat we er in een oorlog terecht waren gekomen. Een strijd tegen de aanhangers van Soekarno. Tegen mensen die vochten voor een vrij land; zoals wij dat vijf jaar tegen de Duitsers hadden gedaan. Ik voelde me belazerd. Ik ben niet trots op wat ik daar heb gedaan.” 

De oorlog in Indië heeft Wiel nooit meer losgelaten. Hij is er nog dagelijks mee bezig. In zijn hoofd en op papier. Creemers bladert door zijn eigen boek vol verhalen. „We liepen patrouille vanuit de kazerne in Surabaya of bij Banjoe Wangi. Door de jungle. Om versperringen op te ruimen die de nationalisten hadden opgeworpen. Ze kapten bomen om en gooiden die over de weg, zodat onze transporten er niet meer door konden. We hadden uitdrukkelijk de order dat wij niet als eerste mochten schieten, we mochten ons verdedigen als we werden aangevallen. En dat deden we ook.”

„Mensen die nu andere dingen beweren: dat wij daar lukraak om ons heen geschoten hebben, onschuldige burgers hebben afgeslacht, kampongs in brand gezet: Indonesië is een groot land, maar ik heb het zelf niet gezien en in die mate ook nooit gehoord. Ja, veel later, bij een herdenking, vertelde me ooit iemand over mariniers die wraak hadden genomen ergens in een dorp. De dag ervoor waren twee kameraden gevangen genomen. Soekarno-strijders hadden ze gemarteld. Hun ogen waren uitgestoken, de oren afgesneden en het scrotum van de een hing in de mond van de ander. Toen zijn ze er verhaal gaan halen.”

Steeds dacht je, ik kan de volgende zijn

Geloof maar dat de jonge Montfortenaar bang was op Oost-Java. „Zeker nadat ook in ons peloton de eerste man was gesneuveld, een tafelgenoot van mij. De dag erop gingen we in patrouille dezelfde berg op. De vijand kon achter elke boom staan. Die strijders droegen geen uniform, alleen een korte broek. Je had maar enkele meters zicht in dat oerwoud.  Zij kenden alle paadjes. Een guerilla-strijd was het. Steeds dacht je, ik kan de volgende zijn.” 

Creemers ziet nog steeds het beeld voor zich van die vrouw. „Het was in een dorpje bij Pasoeroean. We hadden een paar Soekarno-aanhangers betrapt. Die vluchtten het rijstveld in. Ik schoot op ze met een brengun. Langs een huis. Plots kwam er een moeder naar buiten rennen met een kind op de arm.  Ze zakte voor mijn ogen  in elkaar. Dood. Later hoorde ik dat ze ook nog zwanger was. Vreselijk. Dat is oorlog.”

Zuiveringsacties
Zo’n 200.000 Nederlandse soldaten  vochten tussen 1946 en 1949 in Indië tegen Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Nederland probeerde met harde hand het gezag in de afvallige kolonie te herstellen. Ruim 6.000 soldaten stierven in de archipel. Schattingen van het aantal Indonesische doden lopen uiteen van 25.000 tot 100.000. 

Historicus Rémy Limpach, die afgelopen jaren onderzoek deed in archieven, dagboeken en brieven van soldaten, schrijft nu in zijn boek De brandende kampongs van generaal Spoor dat het Nederlandse leger in Indië geregeld de grens van het oorlogsrecht overschreed. Hij geeft tal van voorbeelden van oorlogsmisdaden. Gevangenen werden gemarteld of zonder vorm van proces geëxecuteerd. Berucht waren de ‘zuiveringsacties’ in kampongs, schrijft de historicus: mannen werden gescheiden van de vrouwen en kinderen, afgevoerd en doodgeschoten. De kampong werd platgebrand. ‘Het in de as leggen van kampongs stond ook vaak in het teken van een zekere militaire machteloosheid en de daaruit voortvloeiende frustratie in de strijd tegen een ongrijpbare, onzichtbare en onderschatte tegenstander’, concludeert  Limpach. De legerleiding wist van de misdragingen, stond ze oogluikend toe en stopte oorlogsmisdaden in de doofpot. 

Het waren geen incidenten, het was structureel

Wiel Creemers kan en wil het allemaal niet geloven. Hij voelt zich opnieuw in de steek gelaten, zoals in de dagen dat hij na drie jaar en drie maanden terugkwam uit Indië en „helemaal niemand in Den Haag naar ons omkeek”. „Onderweg was er op de boot pokken uitgebroken. We werden in een kamp in quarantaine gezet. Na vijf dagen kregen we 48  gulden in de hand gedrukt en hop naar huis. Dat was het dan.”
Na 1949 overheerste lang het beeld van een ‘schone oorlog’ in Indië. Tot veteraan Joop Hueting in de jaren zestig het stilzwijgen doorbrak. Dat leidde tot de Excessennota, waarin 110 gevallen van extreem geweld door Nederlandse soldaten worden beschreven. Dat beeld - dat het incidenten waren - is sindsdien ook het officiële regeringsstandpunt. Wat Limpach betreft moet dat nu bijgesteld worden. Het waren geen incidenten, het was structureel. 

Creemers herhaalt het nog eens: „Ik heb het zelf niet zo gezien. Drie jaar heb ik daar gezeten, met honderden kameraden: van zulke ernstige dingen had ik  toch ooit iets moeten zien of meemaken? Echt niet.”
Evengoed wordt hij er, met alle publiciteit nu, wellicht toch op aangekeken? Is hij daar bang voor? „Nee. Ik geef ook presentaties op scholen. Nog nooit heeft iemand mij er negatief over aangesproken. Ik heb schone handen.” 

De veteraan voelt geen behoefte om Limpachs boek te gaan lezen. Hij toont het litteken zien op zijn been, waar zich ooit een kogel inboorde. „Op het Indiëmonument in Roermond staan 6.229 namen van gesneuvelde kameraden. Dit  boek haalt hen door het slijk. Dat ze moordenaars waren, in plaats van dappere jongens. Ze kunnen zich niet meer verdedigen. Dat maakt me boos, heel boos.” 

Boos is Wiel niet voor het eerst. In 1969, na publicatie van de excessennota, werd het Wiel ook al eens te veel. Uit protest stuurde hij toen zijn ereteken voor Orde en Vrede, verdiend in Indië terug aan de minister van Defensie. „Ik kreeg een persoonlijke smeekbrief van hem terug: ‘dat het niet de Nederlandse regering is die een verdenking heeft geworpen op de gedragingen van de soldaten in Indonesië’ en of ik op mijn besluit wilde terugkomen. Geen denken aan. Als ik die medaille toen niet al had weggedaan, had ik hem nu zeker terug gestuurd.”