De fiets als kapstok

Print
De fiets als kapstok

Miel Vanstreels Afbeelding: Roger Dohmen

‘Een toerist met altijd tegenwind’ is de veelzeggende titel van de nieuwe bundel van de Maastrichtse dichter Miel Vanstreels. Het is een keus uit zijn wielergedichten.

‘Meestal ben ik kopgroep en peloton/ik waaier wat in de zon’.  Dichtregels uit de bundel Een toerist met altijd tegenwind. Ze geven aan dat Miel Vanstreels (Godsheide, 1951) zich als wielrenner niet al te serieus neemt. Als dichter trouwens ook niet.

Zelfspot is het belangrijkste ingrediënt uit de gedichten van de Vlaming die al sinds zijn negentiende in Maastricht woont. Ironie noemt hij het zelf. Het komt er in elk geval op neer dat hij nadrukkelijk duidelijk maakt eigenlijk geen talent voor het hard fietsen te hebben. Iets wat tevens geldt voor het dichten, zegt de man die met zes verzen is opgenomen in de bundel De 100 mooiste wielergedichten. Hij is geen Eddy Merckx, geen Tom Dumoulin of Peter Winnen, net als hij geen Remco Campert, Frans Budé of Leonard Nolens is. Toch kan hij niet buiten het wielrennen én het dichten.

Lees het hele artikel over Miel Vanstreels in De Limburger van vrijdag. Hieronder enkele fragmenten uit zijn gedichten.

 

Peter Winnen

In bocht 13 en 15
van Alpe d’Huez
denk ik met
een diepe buiging
aan hem,
volgens mijn
kilometerteller
reed hij hier
minstens drie
keer zo snel

Tom Dumoulin

Tom is hot
Tom is cool
Tom rijdt de tijd
aan scherven,
met zijn talent & looks
laat hij harten & toetsen
sneller slaan

en ik, ik gun het hem,
ik gun het ons
zo zeer

 

Wout Poels

een blaag van 23 uit Blitterswijck
fietst steeds vaker met de grootste
namen de hoogste bergen op,
laten we voorzichtig zijn,
laten we hem de tijd gunnen
om te groeien,
laten we hem zonder enige druk
aan zijn eerste Tour beginnen:
meer dan drie bergetappes
hoeft hij van mij
niet te winnen