Dutchbatveteranen klagen de staat aan: 'Na de val van Srebrenica stond ik er alleen voor'

Print
Dutchbatveteranen klagen de staat aan: ze voelen zich in de steek gelaten na de val van Srebrenica. Onder hen hoge officieren, zoals pelotonscommandant Leen van Duijn.

Hij gaf leiding aan een peloton Dutchbatters tijdens de val van Srebrenica, werd na afloop door zijn eigen dienstmakkers weggezet als oorlogsmisdadiger, maar hoefde op steun van defensie niet te rekenen. 

Oud-officier Leen van Duijn (46) kreeg het zwaar te verduren na het drama in 1995, waarbij 8.000 moslims werden vermoord. Tot nu toe schuwde hij altijd de publiciteit, hij wilde niet vertellen over de pijn die hij nog altijd voelt. 

Fout op fout
Maar 21 jaar later treedt hij dan tóch naar buiten. Omdat hij niet langer kan aanzien hoe defensie voor, tijdens en na de missie fout op fout maakte en dat na al die jaren nog steeds niet heeft rechtgezet. ,,Achteraf had ik daar ten tijde van de oorlog net zo goed op de camping kunnen staan. Dat had mij eenzelfde situatie opgeleverd als nu. Ik heb aan niets gemerkt dat ik officier was van de Nederlandse krijgsmacht.'' 

Van Duijn is een van de inmiddels 156 mensen die de staat aanklagen omdat ze zich ernstig in de steek gelaten voelen. Als eerste luitenant leidde hij in de zomer van 1995 een deel van de C-compagnie van Dutchbat III. Hij verbleef in de heuvels van Srebrenica toen generaal Mladic met meer dan 10.000 militairen de Nederlanders onder vuur nam. Dutchbat moest op verzoek van de VN een enclave vol gevluchte moslims beschermen.

Wanhopig probeerden ze met roadblocks de opmars van de Serviërs te vertragen. Met veel te weinig manschappen en wapens die zo verouderd waren dat ze er in Nederland op de schietbaan nog niet mee mochten oefenen. ,,Het voelde alsof we in de ring stonden tegen Mike Tyson met één arm op de rug en een blinddoek om. Dit was echt het maximale dat we konden doen. In de hoop dat er luchtsteun kwam - wat niet gebeurde.'' 

Smekende vrouw 
De enclave viel. Duizenden moslims probeerden te vluchten terwijl de Serviërs de mannen eruit pikten. Van Duijn en zijn manschappen probeerden zo veel als ze konden families bij elkaar te houden. Protesteerden als de Serviërs mannen mee wilden nemen die overduidelijk geen strijder konden zijn. 

Van Duijn moest keuzes maken die hem tot op de dag van vandaag achtervolgen. Heel vaak ziet hij nog het beeld voor zich van een vrouw die zich aan hem vastklampt omdat een familielid met de Serviërs mee moet. Ze smeekte om hulp. Maar Van Duijn liet die man toch meegaan. ,,Achteraf blijkt dat ik keuzes maakte die gingen over leven en dood. Dat is iets waar ik nog steeds over droom. Het was een afschuwelijke combinatie van Schindlers List en Sophie's Choice. Zulke films kan ik ook nog steeds niet zien.'' 

Tot Van Duijns eigen verdriet zetten sommige dienstmakkers hem later publiekelijk weg als een oorlogsmisdadiger. De pelotonscommandant liet vluchtelingen op dag twee van de evacuaties op eigen initiatief met bussen naar Tuzla brengen. Hij zou daarmee meewerken aan de etnische zuiveringen van de Serviërs. Het raakte hem diep. Maakte hem boos.

Huilen als klein kind
Van Duijn dacht juist goed te doen, omdat nu ook mannen zonder problemen geëvacueerd konden worden. ,,Het was 40 graden. Er gingen mensen dood terwijl anderen lagen te bevallen zonder medicijnen, water en brood. We wisten dat deze mensen in Tuzla terecht zouden komen.''  Pas jaren later zou blijken dat juist door zijn actie mannen de massamoord hadden overleefd. ,,Ik heb zitten huilen als een klein kind toen ik dat las in het onderzoeksrapport van het NIOD.'' 

De verschrikkingen die Van Duijn meemaakte, vormen een litteken op zijn ziel. Maar wat hem nog meer steekt, is dat hij na de missie geen steun van defensie kreeg. ,,Ik ging bij defensie werken omdat ik iets wilde betekenen voor de veiligheid in de wereld. Omdat ik het idee had: de krijgsmacht is geen koekjesfabriek. Hier zorgen mensen voor elkaar. Hier is het samen uit, samen thuis. Het was samen thuis, maar daarna stond ik er alleen voor.'' 

Herhaaldelijk klopt Van Duijn aan bij defensie voor hulp als hij zich moet verantwoorden voor wat er in Srebrenica is gebeurd. Hij belt de inmiddels oud-Commandant der Strijdkrachten, Peter van Uhm, als hij gedwongen wordt om te getuigen voor het Bosnian State Court. ,,Ik zei letterlijk: 'Help, wat moet ik doen?' Maar het was een persoonlijke kwestie, kreeg ik te horen. Dat viel mij zo tegen. Natuurlijk ben ik verantwoordelijk voor mijn daden. Daar loop ik ook niet voor weg. Maar ik stond daar wel met een rood-wit-blauwe vlag op mijn arm. Defensie trok zijn handen van deze missie en van mij af. Alles wat ik deed namens de krijgsmacht, werd persoonlijk op mijn schouders geladen.''

Sociaal isolement 
Het leidde ertoe dat Van Duijn geen vertrouwen meer had in mensen om hem heen. Hij raakte in een sociaal isolement. ,,Pas toen ik een baan bij de politie kreeg, kwam ik erachter dat ik mijn bed niet meer uit kon komen en vier espresso's nodig had voordat ik op gang kon komen.'' 

Het bleken de eerste symptomen van posttraumatische stressstoornis (ptss). Van Duijn gaat in therapie en weet zich staande te houden. Hij schopt het tot directeur Nationale Veiligheid bij TNO, maar ziet ook hoeveel van zijn dienstmakkers wel in de problemen komen. Sommigen raken verslaafd. Verzeilen in de criminaliteit. Enkelen plegen zelfmoord. ,,Ik had de mazzel dat ik de juiste mensen om mij heen had." 

Het is precies de reden waarom Van Duijn zich verbonden voelt met zijn dienstmakkers. Want er zijn nu wel regelingen om militairen met problemen te helpen, maar die dekken de lading van deze missie en zaak niet. ,,Die gaan alleen over psychisch of fysiek letsel. Deze aanklacht gaat over hoe defensie zijn fouten recht gaat zetten. Hoe defensie mensen actief gaat helpen die daar nog steeds onder lijden. Want de pijn waarmee dit dossier nu steeds terugkomt, daar moeten we echt vanaf. Dit kun je niet afdoen met sorry en we gaan weer over tot de orde van de dag.''