‘Al die lichamen kan ik nooit vergeten’

Print
‘Al die lichamen kan ik nooit vergeten’

Afbeelding: De Limburger

Wat gebeurde er een jaar geleden precies in de Bataclan, nadat terroristen daar naarbinnen waren gegaan? Voor het eerst vertelt een hulpverlener wat zich die avond van minuut tot minuut afspeelde. „Het was een nachtmerrie.”

Matthieu Langlois (46) krijgt die vrijdagavond een sms. Hij staat bij een jazzconcert van zangeres Melody Gardot, samen met zijn vrouw. ‘Terreuraanslag’, ziet hij op het schermpje. En terwijl hij het leest, komt de volgende boodschap al binnen. ‘Meld je’. Langlois zet zijn vrouw thuis af, zet een zwaailicht op zijn autodak en rijdt met het gaspedaal volledig ingedrukt naar zijn werk: het hoofdkwartier van de RAID, de elite-eenheid van de Franse politie. Onderweg, in de auto, zet hij nog even de radio aan. Op het nieuws wordt niets gemeld over terroristen. Alsof Parijs nog gehuld is in onschuld. „Het was de stilte voor de storm, maar ik voelde mijn eigen hartslag al oplopen.”

Op het hoofdkwartier kleedt Langlois zich in razend tempo om. Eerst zijn speciale RAID-pak, dan zijn kogelvrije vest. „Dat weegt meer dan 20 kilo.” Hij trekt zijn bivakmuts over zijn hoofd en zet zijn helm op. „Zo’n 4 kilo.” En de ‘dokterstas’ wordt klaargezet: een enorme draagzak van 13 kilo met daarin alle materialen en apparatuur waarmee levens kunnen worden gered. Langlois is geen politieman, maar arts. En als arts maakt hij deel uit van de speciale interventie-eenheden van de RAID. „Ik neem die tas in mijn hand, pak een opblaasbare brancard in mijn andere hand, draag spullen op mijn rug mee en ik vertrek.”

Verminkt
Rond 23.00 uur die avond, op 13 november 2015, loopt hij met andere artsen en omringd door zwaarbewapende collega’s, de Bataclan binnen. „Het is een nachtmerrie. Overal lagen verminkte lichamen. Doden. Gewonden.” Langlois stopt heel even met praten en slikt. „Lichamen, overal lagen lichamen in de zaal. Over elkaar heen, opgestapeld bijna. Overal lag ook bloed. Veel bloed ja. Maar vooral die lichamen, dat herinner ik me.”

Langlois is sinds 2007 werkzaam binnen de elite-eenheid van de Franse politie. Hij traint bijna dagelijks met ze. Maar hij is arts. En altijd ongewapend. Hij moet levens redden. De anderen zijn er om ‘het doelwit uit te schakelen’, zegt hij.

„Bij zoiets als de Bataclan zijn er drie fases. Je komt binnen en dan is het chaos. Dat was in de Bataclan ook zo. Je voelt van alles op zo’n moment: angst, walging, boosheid. Maar stap twee is dat je die emoties meteen de baas wordt. En daarna moet je besluiten nemen en doen waarvoor je gekomen bent. Ik ben arts, dus het eerste wat ik zie, zijn enorm veel gewonden. Mensen die er verschrikkelijk aan toe zijn.”

Niemand stond op
Samen met collega’s neemt Langlois in de concertzaal zijn positie in. In de hoeken van de zaal worden bewapende agenten neergezet om de artsen hun werk te laten doen. Boven, op de eerste verdieping, houden de terroristen op dat moment nog een onbekend aantal mensen in gijzeling.

„Ik ben in de zaal gaan staan en heb heel hard geroepen: ‘Wil iedereen die nog kan lopen hier komen?’ Dat werkt het snelst. De mensen die kunnen lopen, lopen dan, en wij kunnen ons concentreren op de mensen die er erger aan toe zijn.”

Na zijn oproep kijkt Langlois de zaal in. „Het was afschuwelijk. Niemand reageerde, niemand stond op. Er gingen alleen hier en daar wat armen de lucht in. De lichamen lagen allemaal over elkaar, de mensen die nog leefden lagen boven of onder lichamen die niet meer bewogen. Dat beeld zal ik nooit vergeten.’’ Zijn blik kruist die van een jonge man, die drie meter voor hem ligt. „Hij keek me alleen aan. Hij zei niks, maar ik zag in zijn ogen wat hij bedoelde: ‘Ik kan niet meer bewegen, help me.’”

Langlois vertelt het gedecideerd. Hij wil zijn eigen verhaal niet tot een drama maken. Maar hij wil wel dat het publiek weet hoe het er die verschrikkelijke avond echt aan toeging. Daarom schreef hij – een jaar na dato – een boek waarin hij alles, bijna van minuut tot minuut, reconstrueert. „We nemen de eerste gewonden op onze rug en brengen ze zo voorzichtig mogelijk naar de ingang van de Bataclan, waar ze moeten wachten op brancards. We halen mensen tussen de doden vandaan en dragen ze op onze armen of over onze schouders.”

Dat lopen met gewonden is geen sinecure. „Je moet proberen niet op lichamen te stappen, maar vooral ook om niet uit te glijden. Overal ligt bloed, de vloer is daardoor zo glad als een ijsbaan.”

Hij moet ter plekke beslissingen nemen over leven en dood. In een paar seconden wordt de inschatting gemaakt: moet iemand meteen worden geholpen of eerst worden geevacueerd? Heeft iemand snel hulp nodig of is de persoon ernaast nog ernstiger gewond en gaat die voor? „Als iemand erg bloedt, kan ik proberen ter plekke het bloeden te stoppen. Daar heb ik tien seconden voor.” Die tijd is beperkt, want de artsen van de RAID worden allereerst geacht zo veel mogelijk mensen te redden. Intensieve hulp per persoon is voor later.

Als het werk in de zaal beneden er grotendeels op zit, gaat Langlois met anderen naar boven in de Bataclan. Het wordt een bizarre tocht. Concertbezoekers hebben zich overal verstopt, tot op het dak van het concertgebouw. „We moeten zo’n 50 mensen evacueren via de ramen, op vier meter hoogte. We vragen de brandweer om ladders. Er moet ook een dik matras komen op straat, voor als er iemand valt.”

Een meisje zit in het trappenhuis. Als Langlois haar mee wil nemen, herhaalt ze alleen maar: ‘Ik wil niet weg, ik wil niet weg.’ Verderop ziet hij het hoofd van een van de terroristen liggen. „Andere lichaamsdelen lagen verderop. De explosieven die hij droeg, waren ontploft.”

Normale wereld
En dan, diep in de nacht, rond kwart voor drie, zit het erop. De terroristen zijn dood. Gewonden zijn geëvacueerd. Langlois mag met zijn collega’s terug naar het hoofdkwartier. Hij drinkt er een biertje, hij wil nog niet naar huis. De stap is te groot. Van de gruwelen in de Bataclan naar de warmte van zijn gezin thuis. „Ik dwaal een beetje door de straten van Parijs. Ik zit een uur stil in de auto. Gewoon om na te denken.’’

Pas in de vroege ochtend stopt hij de sleutel in de deur van zijn huis en stapt hij de normale wereld weer binnen. ,,Het leven gaat door. Ik zit op de bank en wacht tot de kinderen wakker worden.” Zijn vrouw vraagt: „We moeten met ze praten over de aanslagen, toch?” Samen bedenken ze wat ze zullen zeggen, welke woorden ze willen gebruiken. Als de kinderen om zeven uur naar beneden komen, stellen ze volop vragen. „Heb jij de terroristen doodgeschoten?”, wil de één weten. „Heb je mensen kunnen redden, papa?”, vraagt de ander.

Ja, hij heeft mensen gered, die avond en nacht van 13 november. Maar hij heeft geen idee hoeveel. „Nee. Ik wil het ook niet weten. Er vielen die avond in heel Parijs 130 doden. Duizenden levens van mensen en nabestaanden zijn verwoest. Ik voel me geen held. We hebben ons werk gedaan, en dat hebben we zo goed mogelijk proberen te doen.”

Je las zojuist een gratis artikel


Niet alle artikelen zijn gratis, want zogeheten Plus-artikelen zijn alleen te lezen door abonnees. Zonder abonnees kunnen we namelijk geen betrouwbare regionale journalistiek maken. Je leest al onze artikelen vanaf €4,50 per maand.

Bekijk de aanbieding →