Treurige hotelkamer-erotiek

Print
Treurige hotelkamer-erotiek

Foto: AD

Wat een geluk dat Thomas Dekker niet in mijn studentenhuis woonde, anders hadden ik en mijn tien mannelijke huisgenoten vast zijn pikante biografie gehaald. Bij gebrek aan schone theedoeken werd in Veritas corpsballenhuis Ruisenstein gebruikgemaakt van koffiefilters bij te hoog oplopende opwinding. En het was nog in de tijd van gebleekte filters, dus je moest goed opletten anders zat je geen espresso maar cappuccino te lurken.

Ik vind het vervelend  het te moeten verklappen,maar mannen doen aan zelfbevrediging. Net als vrouwen. De tijd dat Tarzan louter een liaanslingerende, voormalig olympisch zwemkampioen was, ligt al een jaar of dertig achter ons. En toch is het kennelijk nog altijd een enorm taboe. Want in iedere recensie, interview en beschouwing die ik over ‘Thomas Dekker, Mijn Gevecht’ (hopelijk komt er geen Duitse vertaling) las, ging het vooral over die ene passage:  Dekker en zijn wielerslaapkamermaatje Steven de Jongh die op hun hotelkamer aan synchroonrukken deden. De hypocrisie:  doping willen we best door de vingers zien, zolang de handjes maar boven de dekens blijven.

Wat mij  vooral trof, was de peilloze eenzaamheid. In zo’n zielloos Frans snelweghotel zonder wifi maar hopen dat er ergens een vergeelde Panorama met Monique Sluiter op de cover rondslingert. En dan bij totaal gebrek aan privacy jezelf tegelijkertijd bevredigen met je kamergenoot die een hoofdkussen verder ligt. Treuriger kan het niet. 

En dat is de rode lijn, in heel Dekkers boek: de ondraaglijke eenzaamheid van het wielerbestaan. Jezelf in de blubber fietsen voor een contactgestoorde Deen (Rasmussen) die in de wielerbus alleen maar rijstewafels eet zodat je kotsmisselijk aan de etappestart verschijnt. Om dat te vergeten op je hotelkamer dus maar een paar Oost-Europese gezelschapsdames bellen die op de foto’s nog modellen leken, maar in het echt een ontluikend snorretje blijken te hebben. Dat Dekker die Tour de France van 2007 überhaupt nog uitgereden heeft, verbaast mij nog het meest.

Dekker, een renner die ooit als kind gek van wielrennen was. In zijn boek gaat Thomas terug in de tijd toen hij als kleine Thomas in het Utrechtse plaatsje Achterveld de Tour de Junior fietste.  Mijn oudere broer heeft daar als kind ook aan meegedaan en ik  mocht mee om te kijken. Prachtig was dat. De geur van tijgerbalsem vermengd met die van doorgebakken friet en  hamburgers. Met sponsors als snackbar De Smurf en Piets Poffertjesparadijs en een speaker die in plat Utrechts  ‘Lenie uit de Takkenstraat’ aankondigde.  

Wielergeluk was nog heel gewoon tijdens de Tour de Junior. Maar Achterveld was als dat Hobbitdorpje in Lord of the Rings: een ongeschonden, idyllische wereld waarvan je weet dat die eindig is omdat vanuit de verte het boze oog van Sauron al loert.

Met zijn geruchtmakende biografie heeft Dekker zijn wielerverleden vernietigd, de ring is in vulkaan Mount Doom gegooid. Maar ik vrees voor Thomas dat het kwaad zich nu pas echt begint te roeren. Hij schijnt vanuit de wielerwereld al doodsbedreigingen te hebben gekregen, want zijn waarheid moest onder de pet blijven.

Dekker had het kunnen weten: voor wie de omerta doorbreekt, begint het gevecht pas echt.