Van gewone jongen tot massamoordenaar

Print
Hoe kan het dat een gewone jongen uit Maastricht verandert in een zelfmoordterrorist?

Het is een van de vele vragen die Johan van de Beek en Claire van Dyck, onderzoeksjournalisten van De Limburger, zichzelf stelden voordat ze een tijd geleden begonnen te schrijven aan hun boek: Sultan en de lokroep van de jihad. 

Donderdagavond in Nieuwsuur vertellen ze over hun uitgebreide onderzoek naar drie Maastrichtse jongeren en een moeder met twee jonge kinderen die voor de jihad kozen. De 19-jarige Sultan Berzel blies zich uiteindelijk op in Irak, zijn Koerdische kameraad stierf op het slagveld in Syrië. De derde uitreiziger die in het boek aan bod komt is Aïcha, een bekeerlinge uit een Maastrichtse volksbuurt die naar het kalifaat reisde om er in het huwelijk te treden. Ze haalde het nieuws nadat ze weet te ontsnappen en terugkeert naar Nederland. De moeder met de twee jonge kinderen bevindt zich nog steeds in het kalifaat. 



Oorverdovend stil
Na de dood van Sultan Berzel bleef het volgens de auteurs 'oorverdovend stil' in Maastricht en de rest van het land. "Het lijkt er een beetje op dat een poging werd gedaan op alle niveaus om met name Sultan uit de geschiedenis van de stad, de provincie en het land te gummen", zegt Van de Beek. "Het boek probeert hem weer een klein beetje tot leven te brengen."

Verder lezen? Het boek is nu te koop in onze webwinkel



1. Proloog (Jannah)

Zelfmoordterroristen zijn gelukkig omdat ze een wereld vol schaamte en schande inruilen voor een waarin ze worden vereerd en eeuwig zullen genieten van de vruchten van hun offer.

– Mohammed M. Hafez

Zelfmoordterroristen zijn vaak opmerkelijk rustig in hun laatste uren. Sereen. Soms is er sprake van euforie. Twijfels die ze misschien voelden toen voor het eerst tot hen doordrong dat ze waren uitverkoren om shaheed te worden, zijn al lang geleden verdwenen. Ze zijn ontkoppeld. Vaak kunnen ze naar zichzelf kijken als personages in een film. Of in een droom. Sommige zintuigen maken overuren. Kleuren zijn intenser. Ze kunnen de lucht ruiken. De wereld is een toneel. En zij, de shaheeds, zijn acteurs. Op weg naar een finale die ook een begin is.

En denk van hen die op Gods weg gedood worden niet dat zij dood zijn; zij zijn juist levend bij hun Heer, waar in hun onderhoud wordt voorzien terwijl zij zich verheugen over wat God hun van Zijn Genade geeft en zich verblijden dat de achterblijvers die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen hebben noch bedroefd zullen zijn.

(Soera Het geslacht van Imraan, 169-170)

Dat zijn de woorden uit de Koran die alles kloppend maken. Alle scherven van het onvolmaakte en zondige leven op aarde zullen tot een harmonieus geheel samensmelten op het moment van opoffering. Hij, de martelaar, zal rechtstreeks naar het paradijs gaan.

Naar Jannah.

Gelovigen worden na hun dood in het graf door de zwarte, blauwogige engelen Munkar en Nakir ondervraagd. Wie is jouw Heer? Wie is jouw Profeet? Wat is jouw godsdienst? Wie die vragen niet goed of onoprecht beantwoordt, zal worden gestraft tot aan de Dag des Oordeels.

Dit examen gaat aan de shaheed voorbij. Hij is al geslaagd en vergeven op het moment dat zijn eerste, naar muskus geurende druppel bloed vloeit. Hij zal Jannah betreden in de gewaden van de imam. Hij hoeft de Dag des Oordeels niet te vrezen, want een kroon van eer rust op zijn hoofd. Hij trouwt met tweeënzeventig beeldschone maagden. En zeventig door hem handgeselecteerde leden van zijn familie zullen een gegarandeerde plek in de hemel krijgen.

De shaheed is machtig.

De shaheed is rein.

Zijn ziel leeft in het lichaam van een groene vogel die vrij kan vliegen, fruit eet en drinkt uit de rivieren van het paradijs. De groene vogel nestelt in gouden kroonluchters die aan de troon van Allah hangen. Groene vogels zijn zó gelukkig dat ze geen verlangens meer hebben. Als Allah hun vraagt of er echt helemaal niets is dat ze wensen, moeten ze lang denken.

De vraag wordt hun maar liefst drie keer gesteld.

En dan antwoorden ze: ‘O, onze Heer, we wensen dat onze zielen terug worden gebracht naar onze lichamen, zodat we opnieuw op Uw pad kunnen worden gedood.’
 

1 Al-Nisour

Waar we mee te maken hebben, is een bevoorradingsketen. Je neemt een menselijke bom die je gebruikt in Bagdad en de volgende dag staat er weer een klaar in Riyad. Het is alsof je bij Walmart een stuk speelgoed uit het schap haalt. De volgende dag verlaat het in Shenzhen weer de fabriek.

– Thomas L. Friedman

Als Bagdad niet elk jaar mee zou doen voor een topnotering in de lijst van gevaarlijkste steden ter wereld zou november de beste periode zijn om een bezoek te brengen aan wat ooit de ‘Moeder van de wereld’, ‘Minnares der naties’ en ‘Koepel van de islam’ werd genoemd.

Wie daar de restanten van wil vinden, moet in de elfde maand arriveren. De gemiddelde temperaturen stijgen er dan zelden boven de 25 graden Celsius. Een schril contrast met de zomermaanden als de woestijnwind behalve stof ook een schroeiende hitte van boven de 40 graden door de straten blaast. November in Bagdad is mild. En haast windloos.

Wie vanuit Bagdad International Airport naar het centrum van de stad rijdt, kan bijna niet om het Adelaarsplein heen. Sahat an Nusur (Al-Nisour Square) is een van de belangrijkste verkeerspleinen van de stad. Iedereen die naar het centrum wil of, voorbij de rivier de Tigris, naar de achterlanden, zal deze grote rotonde in het westen moeten passeren. Verkeer dat, andersom, de stad uit wil om bijvoorbeeld via de Abu Ghraib Expressway naar Fallujah te rijden, zal ook via Al-Nisour moeten.

Het is hier bijna altijd druk. Auto’s rijden vier rijen dik, wisselen schijnbaar willekeurig van baan zonder richting aan te geven. Chauffeurs snijden elkaar en er klinkt onophoudelijk getoeter. Samensmelten met ander verkeer is een wedstrijd die door de brutaalsten wordt gewonnen. Tijdens de ramadan, als iedereen laat in de middag naar huis wil om te eten, kan het passeren van dit plein meer dan een uur duren omdat niemand voorrang geeft. Liever staan de verkeersdeelnemers scheldend en toeterend stil in een mierenhoop van auto’s.

In het hart van het plein, omzoomd door heggen en bloemperkjes, staat het adelaarsmonument. Het is een beeldhouwwerk uit 1969 van de Irakese kunstenaar Miran al-Saadi. Het moet de kracht en ambitie van het Irakese volk door de eeuwen heen symboliseren. Het monument ontbeert het pathos en de protserigheid van veel monumenten die onder Saddam Hussein op pleinen in Bagdad werden gepoot. En dat is misschien wel de voornaamste reden waarom het er nog staat. Dit beeldhouwwerk duikt, meestal samen met de tweehonderd meter hoge Baghdad Tower (de voormalige International Saddam Tower), op in veel beelden die de wereld over gaan als in 2007 op Al-Nisour een slachting plaatsvindt. In september van dat jaar schieten transportbewakers van Raven 23, een onderdeel van het Amerikaanse Blackwater-huurlingenleger, zeventien Irakese burgers op dit plein dood. Zonder provocatie. Er volgt een diplomatieke crisis tussen de Verenigde Staten en Irak. De huurlingen zouden mogelijk zijn weggekomen met hun misdaad, als ze die op een andere plaats in de stad hadden gepleegd. Al-Nisour was een slechte plek voor een massamoord op klaarlichte dag, want hier zijn het hoofdbureau en een opleidingsinstituut van de Irakese federale politie gevestigd. De agenten van dat bureau zijn getuige van het bloedbad. Hun getuigenissen zijn cruciaal bij de reconstructie van het Nisour Square Massacre.

Zeven jaar later, op woensdag 12 november 2014, zijn de agenten van het bureau aan Al-Nisour niet alleen getuige van een nieuwe slachting, maar vormen ze er ook het doelwit van. De ochtend begint met stralend blauwe luchten. De temperatuur loopt op tot 23 graden. Rond 12 uur explodeert een in de buurt van het politiebureau achtergelaten auto. Onder automobilisten, bromfietsers en voetgangers vallen slachtoffers. In de chaos die volgt, kijkt een jongen van een afstand toe. Het is Sultan Berzel, negentien jaar oud. Hij is bezig de laatste meters van zijn leven af te leggen. Hem scheiden, hemelsbreed, 3676 kilometers van het ouderlijke huis in de Maastrichtse wijk Wittevrouwenveld waarvan hij de voordeur precies zestig dagen eerder voor de laatste keer achter zich dichttrok.

Er zijn antiterreurhandboeken die zeggen dat de evacuatie van een plek waar een aanslag is gepleegd, pas in gang kan worden gezet als de aanwezigheid van een secondary device of een tweede aanvaller is uitgesloten. Maar daar is deze dag geen sprake van op Al-Nisour. Ambulances zijn al onderweg om doden, gewonden en lichaamsdelen op te halen en naar het nabijgelegen Yarmouk-ziekenhuis te brengen. Sultan is intussen in de buurt van de poort van het bureau. Dat is zijn killing zone. Hij is een ideale tweede man voor een zelfmoordaanslag. Frêle, jong en onschuld uitstralend. Een kind haast. Als later foto’s van hem de wereld over gaan, twittert iemand een songtitel van Aerosmith: ‘Dude looks like a lady’. Toch is er, op het allerlaatste moment, argwaan bij de doelwitten van zijn aanslag. Volgens berichten die later in de Arabische pers verschijnen, wordt er op de Nederlander geschoten. Zonder effect. Hij blaast zich op tussen de agenten.

De bomriemen en -vesten die Islamitische Staat in 2014 in Bagdad inzet, zijn op maat gemaakt voor de shaheeds. Om zo veel mogelijk slachtoffers te maken, gebruiken de bommenbouwers poeder uit luchtafweergeschutgranaten. Net zoals de C4-explosieven die de terreurbeweging voor autobommen gebruikt, zijn de riemen en vesten volgens Irakese autoriteiten ‘kunstwerken’ als het gaat om de schaal van vernietiging. Ze zijn zó krachtig dat ze nauwelijks bruikbare sporen achterlaten. Ze vernietigen, behalve mensen, ook zichzelf.

Het ‘kunstwerk’ dat Sultan onder zijn kleding draagt, veroorzaakt een detonatiegolf die zich met ruim 8500 meter per seconde verplaatst, 22 keer zo snel als een 9 mm kogel die wordt afgevuurd uit een pistool. Wie dicht in de buurt staat van een menselijke bom, wordt getroffen door een schokgolf die organen zoals lever, milt, hart en longen los trekt van omliggend weefsel. Armen, handen en benen worden afgerukt, ogen worden vloeibaar. Wie niet direct sterft, is comateus en blind. Na de schokgolf volgt een cycloon waarin spijkers, kogellagers, schroeven en moeren uit de riem of het vest en menselijke botstukken als dodelijke wapens de omgeving worden in geschoten. Ook andere losse objecten in de buurt veranderen in projectielen.

Bij deze tweede explosie komen, behalve Sultan zelf, verscheidene agenten en een onbekend aantal burgers om het leven. Het totale aantal doden door de gecoördineerde aanval varieert in nieuwsberichten van elf tot boven de twintig. Er zijn veel gewonden. Een deel van hen zal op weg naar of in het ziekenhuis bezwijken. De bronnen hiervoor zijn, zoals bij de meeste aanslagen in Irak, anoniem. Het werkelijke aantal doden ligt mogelijk drie keer zo hoog. Cijfers worden bewust laag gehouden. Zeker nu het gaat om dezelfde locatie waar het Blackwater-bloedbad plaatsvond. Op die dag kon de politie de burgers niet beschermen. Vandaag kan ze de burgers en zichzelf niet beschermen.

Zelfmoordaanslagen worden weleens ‘de longkanker van het terrorisme’ genoemd.  Veel dodelijker dan alle andere vormen van terreur. Ze eisen tien keer zo veel slachtoffers als terroristische operaties waarbij de dader in leven blijft. De volmaakte wezensvreemdheid van zelfmoordaanslagen maakt dat de westerse opinie er vaak geen redelijke reactie op weet te formuleren, zoals de Britse schrijver Martin Amis opmerkte. Verder dan wat ontwijkend gemompel komen we vaak niet. Of we beschouwen het als een exotische gril. Net zoiets als vrouwenbesnijdenis. Of eermoord. En zolang het wordt gedaan door mensen die wij niet kennen, in landen ver weg, lijkt het negeerbaar.

In Irak worden de namen van slachtoffers zelden bekendgemaakt. Over Irakese doden door moslimterreur verschijnen ook zelden de reportages die in westerse media gebruikelijk zijn na een aanslag. Verhalen die de chaos en het leed in kaart brengen, maar ook de slachtoffers en daders een gezicht en een geschiedenis proberen te geven.

Amerikaanse oorlogscorrespondenten die in Irak en Bagdad werkten, hebben zich vaak verbaasd over de effecten van aanslagen op de bevolking. Sommigen zagen gewenning. Anderen zagen een onwerkelijke, verdoofde afstand tot de doden. In Irak zien burgers vaak geen andere mogelijkheid met terreur om te gaan dan die te negeren. Als een door een aanslag getroffen markt schoon is gemaakt, gaat iedereen er weer naar toe. Het is niet als in Europa, waar mensen plekken van aanslagen vaak gaan mijden. ‘We just live with the bombs.’  Terwijl bij de autoriteiten frustratie overheerst over het onvermogen een einde te maken aan de golven van terreur, gaat het bij de bevolking om verbeten berusting. Er is de zekerheid dat de volgende aanslag met elke seconde die verstrijkt dichterbij komt. Maar er is ook de wil om te leven. Velen hebben mensen in familie of vriendenkring die slachtoffer zijn geworden. De horror is alledaags. In Bagdad klim je na een explosie naar het platte dak om te kijken waar de rookpluim hangt. Of om te luisteren uit welke richting de sirenes klinken. Zo weet je welke wijk is getroffen. Vandaag Yarmouk, morgen Dora, overmorgen Sadr City.

De Irakese schrijver en ex-journalist Ahmed Saadawi is een expert op het gebied van alledaagse horror. In 2014 vertelt hij tegen The New York Times over een avond die hij met literatuurvrienden doorbracht in een café in Al Battaween. Die voormalige Joodse Wijk van Bagdad ligt acht kilometer verwijderd van Al-Nisour, aan de andere kant van de Tigris.

Het café speelt een belangrijke rol in een boek waarmee Saadawi dat jaar de prestigieuze Internationale Prijs voor Arabische Fictie zal winnen. Frankenstein in Baghdad is een verhaal vol zwarte humor over een dronken zwerver die op plekken in de stad waar bomaanslagen zijn gepleegd lichaamsdelen verzamelt. De delen naait hij aan elkaar om ‘het ding zonder naam’ (de shismu) dat zo ontstaat een fatsoenlijke begrafenis te kunnen geven. Maar de shismu komt, net als het wezen in de roman van Mary Shelley, tot leven. ‘Het’ zoekt in de straten van Bagdad wraak voor de slachtoffers van wie het de optelsom is. Omdat de shismu uit delen bestaat van verschillende rassen, etnische achtergronden en sekten, vertegenwoordigt het wezen voor Sadaawi het proces dat in Bagdad al jaren gaande is: iedereen doodt iedereen. En niemand is onschuldig. Het is een festival van destructie. De bommen doden overal. Bij scholen, moskeeën, markten, ziekenhuizen en regeringsgebouwen. De bommen doden ook iedereen. Sjiieten, soennieten, christenen, Koerden. Iedereen, zegt Saadawi, heeft iets in zich van slachtoffer en dader. Op de avond dat Saadawi met zijn vrienden in het café zat, ontplofte er ook een bom. De schrijver was toen zelf net weg. Enkele van zijn vrienden raakten gewond, anderen kwamen om het leven. Het was als een scène uit zijn roman:

Ze draaiden zich allemaal in de richting van de explosie op het moment dat een massa van vlammen en rook de auto’s en de mensen eromheen opslokte, verschillende elektriciteitsleidingen doorsneed en mogelijk wat vogels doodde.

In Bagdad is het verschil tussen dood en leven vaak een kwestie van timing. Het ene moment ben je een levend wezen met gevoelens en gedachten, het andere moment lig je in stukken verspreid over straat. Afval. Resten die opgeruimd of het riool in gespoten moeten worden voordat ze gaan stinken. Zodat het ‘gewone leven’ weer hervat kan worden. Voor Saadawi is Bagdad dystopia. Een hel op aarde. Moet je die verlaten? Of blijf je bij de mensen met wie je banden hebt? Van wie je houdt? Of geef je toch toe aan je angst voor de dood? Dat zijn, na elke aanslag, de vragen die mensen zich stellen.

Het jaar 2014 zal in Bagdad worden afgesloten met een officieus dodenaantal onder burgers van 4767. Gemiddeld dertien mensenlevens per dag. Gedood door aanslagen of executies. Het dodental voor de maand november, als de campagne van IS haar hoogtepunt nadert, is 1468. Dat zijn slechts baselines for mortality.  De werkelijke aantallen liggen hoger. Dat geldt voor het hele land. Irak is een ongemarkeerd graf van onbekende afmetingen. Van de doden van 12 november heeft er tot op de dag van vandaag slechts één publiekelijk een naam en een gezicht: Sultan Berzel. Of Abu Abdullah al-Hollandi, zoals zijn kunya luidt. Islamitische Staat zal later ontkennen dat er een auto tot ontploffing is gebracht op Al-Nisour. Het zou allemaal het werk van Abu Abdullah zijn geweest. Het lijkt een poging hem groter te maken dan hij is, een beproefde tactiek van Islamitische Staat.

Kort na de aanslag is het gaan waaien in Bagdad. De wind houdt gedurende de hele schoonmaakoperatie aan en stopt dan. Abrupt. Alsof er een luik wordt gesloten. Iets na twee uur in de middag rijdt het verkeer weer over het schoongespoten Al-Nisour.

Bashar al-Mahdi*, een lokale journalist, heeft lang onderhandeld met de autoriteiten voordat hij toestemming krijgt om op Al-Nisour te filmen. Hij is rond twee uur in de middag ter plekke. Te laat, denkt hij, maar hij wil toch zien of hij nog iets kan vastleggen. Verslaggever in Irak is een riskant beroep. De Grondwet beschermt de vrijheid van meningsuiting. Maar vaak worden vage wetten ingezet om mensen wegens ‘belediging van de regering’ op te sluiten. In 2010 wordt een speciale rechtbank ingesteld voor de berechting van journalisten die door autoriteiten worden beschuldigd van belediging of smaad. Dit ofschoon de Grondwet de instelling van speciale rechtbanken verbiedt. In juni 2014 kondigt de regering nog eens extra richtlijnen voor de media aan. Vanwege de war on terror moeten verslaggevers ‘vasthouden aan een patriottisch gevoel’. En ze mogen niets doen dat kan worden uitgelegd als kritiek op de veiligheidsdiensten.

Dat alles weet Bashar als hij met draaiende camera Al-Nisour op loopt. Het deel van het plein voor het politiebureau is nog afgezet met geel lint. Er klinken sirenes. Brandweerauto’s rijden af en aan. Overal politiemensen. Het wegdek is nog nat. Brandslangen worden weer opgerold. Verkeer wordt mondjesmaat toegelaten. Voetgangers, onder wie groepjes in zwarte chadors gestoken vrouwen, steken al weer het plein over. De aandacht van Bashar wordt getrokken door een groepje mannen dat op Dimashq Street, vlak bij het plein, bij een witte Nissan staat. Er staat ook een wegsleeptruck. Maar voordat die truck de Nissan kan wegslepen, moet het rechtervoorwiel worden vervangen. Lekke band. Een monteur is daar juist mee bezig als Bashar het groepje nadert. Van dichtbij is te zien dat de Nissan onder de bloedspatten zit en op verschillende plekken is doorboord met schrapnel. Of menselijke botresten. De zijramen zijn verbrijzeld en naar binnen geblazen. De Nissan staat ongeveer zestig meter verwijderd van de ingang van het politiebureau. Bij de auto staan drie mannen die de leiding lijken te hebben over de wegsleepoperatie. Een van hen wil wel iets zeggen.

Een van die klootzakken heeft zichzelf opgeblazen. Voor wat? Het zijn klootzakken en de mensen die hen hebben gestuurd zijn ook klootzakken. Ze hebben één doel en dat is Irak vernietigen, niet minder en niet meer. Irak saboteren en vernietigen. Maar met de wil van God zullen ze nooit slagen, ook al blijven ze het honderd jaar proberen. Ik zweer bij God dat het ze niet zal lukken.

Er staat een jongen bij die de aanslag heeft meegemaakt. Hij stak net het plein over toen de tweede bom afging. Volgens hem zijn de meeste doden en gewonden politiemensen. En vrouwen.

Hij dankt God dat hij nog leeft.

Twee jaar na de aanslag legt Bashar nog enkele puzzelstukken op hun plaats. Tijdens de reportage heeft hij de camera een aantal keren gestopt. Er werden dingen gezegd die niet mochten worden opgenomen. Er zijn veel vragen. Maar in Irak moet je als journalist weten wanneer je volgende vraag je laatste kan zijn. Wat Bashar weet, is dat de bestuurder van de Nissan dood is. Die was op weg naar zijn geparkeerde auto toen Sultan zich opblies. Het is de zoon van de commandant van de politie die het onderzoek naar de aanslag leidt. De ontdekking dat zijn kind tot de slachtoffers behoort, breekt het hart van de commandant. Hij deelt zijn verdriet en woede met een vriend, de man die de klootzakken vervloekt voor de camera van Bashar.

Een dag later zet Islamitische Staat een persbericht online.

God heeft onze broeder Abu Abdullah al-Hollandi. Hij begaf zich met zijn bomriem in een menigte van officieren en talrijke politiemensen van de verenigde politie bij de ingang van hun hoofdbureau aan het Nisourplein in Bagdad. Hij sprak het Allahu akbar uit en liet zich ontploffen. De leiding [van de politie] was zeer geschrokken en verklaarde dat de aanslag middels een riem en een auto had plaatsgevonden. Twee officieren zijn omgekomen en twintig agenten. Meer dan tien zijn er gewond geraakt. En God zij, vroeger en later, geprezen.

Bagdad, 19 Muharram 1436

Het hoofdkwartier van Islamitische Staat publiceert die dag ook een audio-opname van zijn leider Abu Bakr al-Baghdadi. In de zeventien minuten durende rede zegt Al-Baghdadi dat zijn strijders nooit zullen stoppen met vechten, zelfs niet als er nog maar één soldaat overeind staat. Hij roept alle supporters in de wereld op om ‘vulkanen van jihad’ tot uitbarsting te brengen.

Een paar weken later, als het videotestament van Sultan is verschenen, schrijft Islamitische Staat een nieuwe versie van die dag. Nu draagt Sultan/Abu Abdullah al-Hollandi geen bomriem maar een bomvest. Het dodental is ‘met de wil van Allah meer dan twintig agenten en er vielen tientallen gewonden’.

In de Irakese krant Almada schrijft Ali Hussein een column. Nederland was, schrijft hij, voor Irakezen het land van de schilder Vincent van Gogh, de voetballer Johan Cruijff en de oprichter van een Eindhovense gloeilampenfabriek, Gerard Philips. Zij brachten kunst en licht in de wereld. Met Abu Abdullah al-Hollandi arriveerden dood en duisternis.

Negentien dagen na de aanslag arriveert, door tussenkomst van afdeling I 24/7 van Interpol Lyon, bij het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) in Amsterdam schriftelijke informatie en een DNA-profiel uit Bagdad. De Irakese opsporingsautoriteiten hebben resten van een ongeïdentificeerde persoon gevonden op de plaats van de aanslag. Interpol Bagdad schrijft: ‘Het DNA is opgenomen uit de resten van het stoffelijke overschot van de zelfmoordpleger, wetende dat de zelfmoordaanslag is gepleegd met een riem met explosieven op het Irakese politiebureau aan het Al-Nisourplein in Bagdad.’

Bagdad verzoekt om een onderzoek. De ouders van Sultan in Maastricht hebben wangslijmvlies afgestaan. Het DNA wordt vergeleken. Er is een match. Sultan Berzel is op dat moment de eerste Nederlandse jihadist wiens dood kan worden vastgesteld op basis van een DNA-test. Dat is van belang omdat terreurbestrijders er rekening mee houden dat jihadisten hun dood in scène kunnen zetten om, vervolgens, met een nieuwe identiteit, terug te keren. Daar zijn voorbeelden van.

Op 14 december 2015 doet de rechtbank in Den Haag een uitspraak. Het is een verklaring van overlijden van Sultan Berzel. De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft daar, uit coulance met Sultans ouders, om gevraagd. ‘Gelet op het vorenstaande, kan – alle omstandigheden in aanmerking genomen – vastgesteld worden dat [Sultan Berzel] voornoemd, op de wijze zoals weergegeven in het verzoekschrift, is overleden.’

Verder lezen? Het boek is nu te koop in onze webwinkel