COLUMN | Met carnaval mag alles (1)

Print
COLUMN | Met carnaval mag alles (1)

Afbeelding: .

Een columnserie waarin Hugo Luijten de grenzen van het vastelaovesfatsoen opzoekt. Met vandaag: 'Dae man krieg ein medalie‘ – Uit: De Medalie (Jan Huyskens, Roermond) Over het decorum en wat daar nog van overblijft

Decorum en carnaval staan op gespannen voet met elkaar. Staan zelfs haaks op elkaar. Is carnaval niet het feest waarin alle regels en verplichtingen opzij worden gezet? Ten dele maar, want ook carnaval kent zijn regels en verplichtingen. Uitgevaardigd en vertolkt door de mannen in de zwarte pakken. Anderzijds is daar ook de Boonte Stöörem, zoals in Maastricht het vastelaovend vierend volk wordt aangeduid. De brede stroom die al vierend tapwaarts vloeit, zegmaar.

Waarom perst een volksfeest zich vrijwillig in een keurslijf van afspraken, die even hard kunnen knellen als menig nondedjuuke van een Raad van Elf-lid? Allereerst is de zwarte-pakkenbrigade natuurlijk de inrichtende macht, zoals ze in België zeggen. Onder het motto ‘iemand moet het doen’, organiseren ze in de carnavalsperiode dat er de stukken vanaf vliegen. Een Boonte Stöörem is grappig, maar het is nog geen optocht.  En en passant houden ze de ergste uitwassen van het volkse carnaval wat in toom. Of doen met wisselend succes een poging in die richting.

Hoewel: ik herinner mij een Vorst, die een gloedvol betoog en plein public afsloot met de woorden: ‘Zo, en noe mót ich pisse.’ In mijn gedachten hees hij daarbij ook nog stevig aan zijn broek, maar dat kan inbeelding zijn.

Allez. De maatschappij is een apenrots: wie leidt moet bling-bling dragen, dus rinkelt het klatergoud op strakgespannen smokinghemden. De scepters waar prinsen de carnavalsmaat mee zwaaien zijn tegenwoordig regelrechte kunstwerken, niet meer zoals vroeger eine bie-gesjneje taofelpoot. En medalies zijn onderhand meer begeerd dan een echt lintje. Ik gaf mijn hele verzameling ooit weg aan toevallige carnavalspassanten, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat ze altijd carnaval moesten blijven vieren. Ze zegden allemaal toe, voor zover ze me nog konden verstaan. Maar het zegt iets over de welhaast heilige status van het on-edele metaal, dat menigeen het geëmailleerd blik niet eens durfde aan te nemen.

Ook met carnaval heeft het volk dus zo zijn eigen kijk op gezag. Zo’n typisch evenement waarbij die spanning voelbaar is, vind ik altijd het vrijdagse ‘ambtenarencarnaval’ in Roermond. Daar is op zich weinig georganiseerds aan; kantoren en scholen lopen leeg om zich in de stad te laten vollopen, zoiets. Langzaam verdrinken de onkreukbare normen en waarden, om vervolgens te verdampen. Prins en Raad van Elf staan onwennig even op het podium van de Sjolefestasie en vluchten na een verplicht nummertje de stad in. Nog net niet met muts en veren tussen de benen.

Mijn blik dwaalt over het Sjtasieplein, dat in bezit is genomen van de jeugd. Op een enkele eenzame ouwe lul van 47 als ik na, is alles onder de 18. Ik raak in gesprek met een kakkerlak uit Herkenbosch. Hij is met een heel nest kakkerlakken op stap, en ze hebben een muziekkarretje bij zich. Apresski-shit, maar dan in het plat. Al zal de generatie boven mij iets soortgelijks over de Janse Bagge Bend gedacht hebben. Het aardige is echter dat de vriendenclub ook altijd naar het in de binnenstad gelegen verzorgingstehuis ‘Huize Pollaert’ trekt. Daar voor de deur speelt hun karretje dan ‘Geneet van het Laeve’, zo vertelt de kakkerlak.

Ik wil een traan wegpinken, bedenk dat ik geschminkt ben en verander mijn beweging in een proostgebaar. Ik wil nog wat zeggen maar de kakkerlak onderbreekt mij: ‘Die anger daag kómme veer ouch veur uch sjpele, meister!’

Die mag van mij een medalie krijgen…

Hugo Luijten is historicus en schrijver. Onlangs verscheen zijn debuutroman ‘Offer voor een verloren zaak.’