COLUMN | Met carnaval mag alles (4)

Print
COLUMN | Met carnaval mag alles (4)

Afbeelding: .

Een columnserie waarin Hugo Luijten de grenzen van het vastelaovesfatsoen opzoekt. Met vandaag: Det duit um ut veurjaor – (Frans Boermans, Venlo). Over de liefde

Sjtasiefestasie in Roermond. De geluidsinstallaties uit de kroegen gaan het gevecht aan met de megawatts op het plein. Eine Wals mit Maria (de houseversie, dat spreekt) botst tegen iets wat ik niet kan thuisbrengen, gebracht door iemand die ik niet ken op het podium.

Terwijl die regel uit Boermans’ ‘Det duit um ut veurjaor’ hier goed zou passen: 'Want al waat jónk is, och det vreejt zoë gaer'. Met carnaval zindert de liefde als een sambabal die blijft voortritselen, zoveel is wel duidelijk. Naast mij bijvoorbeeld, neemt een verregende Dracula zijn rol bloedserieus en geeft zich met overgave aan een roomblanke meisjeshals. En uitgerekend dát beeld, moet voor alles en iedereen die geen carnaval viert verborgen blijven.

Drank, vetlapperij, flauwe moppen, alles mag over carnaval gedebiteerd worden, al horen we dat soms knarsetandend aan. Hooguit kruipt ‘Ik en velen met mij’ weer eens giftig in de pen. Maar een foto van een kus tussen een gothic dansmarieke en een teletubbie, een video van twee verstrengelde clowns, en er ontstaat paniek. ‘Men’ zou wel eens kunnen denken dat carnavalisten allemaal ‘vottekletsers’ zijn. Het is een beeld dat we maar moeilijk kwijtraken, en voor een deel zijn we dat zelf schuld.

Tegenwoordig lijkt er een nieuw soort preutsheid te ontstaan, met een bijzonder krachtige zelfcensuur. Liedjes over 'de vot’, die worden op het LVK geweerd. Terecht of niet terecht, daar gaat het mij nu even niet om. Dat ging vroeger wel even anders, want tot ver in de jaren ’70 waren de teksten vaak suggestief. In Kerkrade zongen ze in 1951 al zonder gêne ‘Ha die mokkel wil ich puutsje’, of een paar jaar later over ‘Kirchräodsjer maedsjer’, die ‘bek-sjere mollig en ronk’ hadden. Maastricht galderde in 1969 unverfrohren over Marie, die kennelijk ‘twie peilers wie de aw maos brök’ bezat, en heel Sittard vond in 1973 ‘Es ich vrie, mit Marie, höb ich nemes gaer debie’ de normaalste zaak van de wereld. En wij maar fulmineren tegen de ‘Worstjes op m’n borstjes’ van Ria Valk…

Laten we het er – vooral gemakshalve - op houden dat waar veel mensen samen feest vieren, ook het bloed sneller gaat stromen. Dat geldt voor elk feest, getuige een oud Limburgs gezegde dat: ‘..van ein broelof ein broelof kump’. En daar is niks mis mee.

Enfin, dat is de theorie. Verder met de praktijk.

Vastelaovesmaondig, late avond. Ik sta bij mijn maat Pelle, de enige kastelein die ik ken die elke keer schaterend een nieuw liedje intikt op zijn machien. Nu is het‘Sie hatte nur noch Schuhe an.’ Tegenwoordig laten we de gedurfde teksten over aan de Duitsers. De serpentines hangen als lianen omlaag en de damp van de kroeg geeft het geheel het aanzien van een vastelaoves-oerwoud. Met buitengewoon exotische diersoorten nog wel. Een Jane hupst rond een Tarzan. Zij heeft haar schoenen nog aan, lichtgevende zelfs. Van de linker is de batterie al plat. De ander flitst alleen nog flauwtjes op als ze op haar tenen gaat staan om hem iets in zijn oor te fluisteren. Ze slingeren zich naar buiten en verlaten het oerwoud.

Op weg naar de wc, zie ik dat onder de kapstokken een hartje eenzaam ligt te kloppen.  Zullen we vastelaovesmaondig collectief tot zwijmeldag bombarderen?

Hugo Luijten is historicus en schrijver. In januari 2017 verscheen zijn debuutroman ‘Offer voor een verloren zaak’.