Van wie is de Dodenherdenking?

© Ermindo Armino

Lees hieronder de volledige rede die Léon Verdonschot donderdagavond 5 mei 2017 uitsprak in het Asta Theater in Beek.

Léon Verdonschot

Van wie is de Dodenherdenking?

Dat was de vraag die de krant het Parool deze week hardop stelde.

Het zou eigenlijk een vreemde vraag moeten zijn.

De Dodenherdenking is van ons allemaal, van alle inwoners van dit land. In het eerste anderhalve decennium na de Tweede Wereldoorlog herdachten we om acht uur de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Begin jaren zestig is die definitie opgerekt, en sindsdien worden op deze dag om acht uur alle Nederlandse oorlogsslachtoffers sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog omvat herdacht.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat het eenieder vrij staat tijdens die minuten daarbij te betrekken wie hij of zij bij de slachtoffers rekent. Ook lijkt het me logisch dat er regionale verschillen in accenten bestaan. Zoals in Rotterdam meer mensen stil zullen staan bij de doden door het bombardement, zo hebben we hier onze eigen tragische geschiedenis. Bijvoorbeeld die van de Sintifamilie Franz die uit Beek werd weggevoerd. Of van de Joodse mensen uit Beek die - na het bevel om voor 10 april 1943 acht Nederlandse provincies, waaronder Limburg, van Joden te zuiveren - betrokken waren bij de derde grote deportatie uit Limburg. Of van de twee bejaarde Joodse inwoners van Beek die op transport werden gezet nadat ze uit hun woning waren gezet, omdat de NSB-burgemeester die als ambtswoning ging gebruiken.

Dus eigenlijk is die vraag - van wie is de Dodenherdenking? - gemakkelijk te beantwoorden. Van iederéén; we herdenken alle Nederlandse oorlogsslachtoffers, en in ieder stad en ieder dorp met name die uit die stad en dat dorp. En morgen vieren we de vrijheid.

Wat het antwoord op de vraag heeft gecompliceerd, is het feit dat sedert begin jaren zestig ieder jaar een poging wordt ondernomen om de doelgroep van Dodenherdenking op te rekken.

Dat gebeurt liefst een paar voor 4 mei, op een moment dat het vrijwel onmogelijk is de discussie op een redelijke manier te voeren, zonder dat de vele emoties die er bij komen kijken al te hoog oplaaien, waardoor een goed debat eigenlijk onmogelijk wordt.

Dit jaar was er in Amsterdam een discussie over een actie van een theoloog die drieduizend kruizen op het Rembrandtplein heeft gezet, die de dode migranten moeten symboliseren die op hun weg naar Europa het leven hebben gelaten. De theoloog vindt dat deze mensen moeten worden herdacht, en dan niet op 20 juni, de Internationale Dag van de Vluchteling, maar op 4 mei om 20 uur. Hij is van oordeel dat de vluchtelingenproblematiek niet lós staat van wat wij op deze dag op dit moment herdenken, maar er mee samen hangt. Omdat de Tweede Wereldoorlog heeft geleid tot de Vluchtelingenverdrag van Genève van 1951. En precies dat Vluchtelingenverdrag staat onder druk, en wordt volgens critici inmiddels ernstig geschonden.

Ik snap zijn punt, maar ik vind het een slecht idee. En wel om dezelfde reden die veel mensen de afgelopen jaren hebben aangevoerd bij alle voorgaande varianten op dit idee. Voor je het weet staan we stil bij al het onrecht in de wereld. En staat er dus niemand meer stil bij iets, of juist veel mensen bij uiteindelijk niets. Alles herdenken staat gelijk aan niéts herdenken.

Om vergelijkbare reden ben ik er tegen dat we Duitse soldaten herdenken. Daar waren ook slachtoffers onder. Maar ook heel veel daders. Er zijn vele momenten om te discussiëren over de vraag waar de grens lag, maar er is ook een moment dat daar niét geschikt voor is, en dat is het moment waarop we de Nederlandse slachtoffers van die daders herdenken, en dan ook nog eens in aanwezigheid van hun nabestaanden en van de mensen die onze vrijheid verdedigden.

Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn. Er komt een moment waarop de mensen in Nederland die zélf een oorlog hebben meegemaakt, er niet meer zijn. Dat gaat gevolgen hebben. Het kan van deze herdenking voor veel jonge mensen een abstracte geschiedenisles maken, die voor hun gevoel niets met hun leven te maken heeft. We zullen de les uit de oorzaken die geleid hebben tot de slachtoffers hebben die we vanavond herdenken, moeten blijven actualiseren, zonder daarmee de herdenking uit te hollen.

Dat klinkt aanmerkelijk gemakkelijker dan het is. Zeker in Nederland, waar het publieke debat is verworden tot een over en weer werpen van jij-bakken, persoonlijke beledigingen en soms zelfs bedreigingen. We hebben een politicus in Nederland die al jaren dag en nacht beveiligd moet worden en waarvan nog steeds mensen durven te zeggen dat hij dat aan zichzelf te danken heeft. We hebben ook honderden burgemeesters, wethouders en raadsleden die met grote regelmaat worden bedreigd, en dan heb ik nog niet eens over advocaten, scheidsrechters, journalisten en talloze andere mensen uit vrijwel ieder segment van de opinievorming, rechtspraak of openbare orde.

Op 5 mei vieren we de vrijheid, maar we hebben er maar een moeizame verhouding mee. Ik ben voor een maximale vrijheid van het woord, maar niet voor een maximaal recht op hufterigheid, en die twee worden vaak verward.

Wat je niet kunt zeggen, is dat in Nederland niet genoeg wordt stilgestaan bij de Tweede Wereldoorlog. Sterker, je zou bijna het tegenovergestelde kunnen betogen: de Tweede Wereldoorlog wordt overal te pas en te onpas bijgesleept. Wij zien het verschijnsel dat iedere discussie, waarover dan ook, ertoe leidt dat iemand de Tweede Wereldoorlog erbij sleept. Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog zijn vaak smakeloos en ook feitelijk incorrect. Maar ze zijn ook een belediging van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, en een miskenning van het unieke en onmenselijke karakter van de methoden en opvattingen van de Nazi’s.

De Paus vergelijkt Griekse vluchtelingenkampen met concentratiekampen, dierenrechtenactivisten vergelijken de bio-industrie met de Holocaust, tegenstanders van de nederzettingenpolitiek van Israël vergelijken die met de methoden van de Nazi’s. Ik vind het stuk voor stuk infame vergelijkingen (met die laatste als meest macabere), omdat ze bijdragen aan het reduceren van het kwaad dat we vanavond herdenken tot een kwaad zoals er vele kwaden zijn.

Wat dan wél te doen?

Ik denk dat het begin van het antwoord zit in de combinatie van morgen en vanavond, en van het motto van dit jaar.

We vieren morgen de vrijheid, en die vrijheid is niet vrijblijvend. Vanavond wordt duidelijk wat er kan gebeuren wanneer we die vrijheid verliezen.: vanavond herdenken we immers al degenen die hun leven gaven voor die vrijheid en die stierven doordat die vrijheid ons werd ontnomen. De samenhang tussen vrijheid, vrijblijvendheid en de prijs ervan kon niet evidenter zijn.

Het benadrukken van het verschil tussen vrijblijvendheid en vrijheid is volgens mij de belangrijkste taak van de komende jaren. De reden daarvan is simpel: het overgrote deel van dit land is opgegroeid in vrijheid en heeft nooit iets ander gekend. Oorlog kennen de mensen van ons, ik ook, alleen van televisie. Het meest dichtbij kwam de oorlog toen onze soldaten in Srebrenica een partij in de oorlog werden. Het meest dichtbij komt de oorlog steeds wanneer de mensen die er voor vluchten opeens letterlijk op onze stoep staan. Wanneer het grootste deel van een land niets anders kent dan vrijheid, dan gá je die voor lief nemen, zelfs als je dat helemaal niet wil. Dat geldt ook voor welvaart. Dat geldt voor alles dat niet op lijkt te kunnen, omdat het nooit op wás. Alles went, zeker vrijheid.

Maar vrijheid is niet vanzelfsprekend.

Dat betekent dat het gekoesterd moet worden, ook in moeilijke omstandigheden. Bijvoorbeeld wanneer vrijheid ook leidt tot de vrijheid van opvattingen die je ten diepste vervullen van walging. Vrijheid koesteren betekent in die zin ook wrijving koesteren, ook wrijving met je eigen mening.

Of, een andere moeilijke omstandigheid, wanneer vrijheid (van bijvoorbeeld het woord) handelsbelangen schaadt. Pas op zulke momenten, wanneer vrijheid een prijs blijkt te hebben (letterlijk zelfs), blijkt wie het werkelijk koestert, en wie er slechts lippendienst aan bewijst.

Maar vrijheid is niet vanzelfsprekend; dat betekent ook dat vrijheid verdédigd

moet worden. Tegen elke ideologie die de vrijheid bedreigt, tegen iedereen die discrimineert, tegen elke extremist of fundamentalist die vindt dat vrijheid niet voor iedereen geldt, maar alleen voor mensen die er dezelfde opvattingen op nahouden, of alleen voor mensen van een bepaalde sekse, of ras, of geloofsovertuiging, of politieke of seksuele voorkeur.

Het lijkt allemaal zo voor de hand liggend, maar precies die schijn is gevaarlijk. De wereld is veel onoverzichtelijker geworden, en dat geldt ook voor de vijanden van de vrijheid. Die staat niet met tanks aan onze grenzen, maar bewegen zich veel meer in de moderne varianten van de bierkelders die daar aan vooraf gingen.

Vrijheid niet voor lief nemen, dat vereist waakzaamheid zonder paranoia, het vereist alertheid zonder paniek, het vereist tolerantie voor andere opvattingen maar juist volstrekte en principiële intolerantie tegenover de bedreigers van vrijheid van anderen.

Vrijheid verdedigen vereist, kortom, een zeer fijnzinnige combinatie van allerlei karaktereigenschappen die zich laten samenvatten als: menselijke eigenschappen.

Dat is geen toeval. Vrijheid vereist menselijkheid, en wel een zeer specifieke vorm daarvan. Namelijk de mooiste vorm van menselijkheid: médemenselijkheid.

Ik dank u voor uw aandacht.

Leon Verdonschot

4 mei 2017

Wil je alle Plus-artikelen lezen?

Dagelijks publiceren we meer dan 100 Plus-artikelen op onze site & app. Nieuws, achtergronden, analyses, reportages, interviews en columns. Word nu digitaal abonnee en kies voor een jaar lang korting of maandelijkse flexibiliteit.

Kies digitaal