Dag 17: ‘Door armoede ben ik mijn kind kwijtgeraakt’

Print
Petra Aarts-de Jong (40 jaar) uit Maastricht leeft met haar man en twee dochters van 50 tot 60 euro per week. Haar man werkt fulltime maar alles wat hij verdient, gaat naar de bewindvoerder. Haar oudste zoon ziet ze nauwelijks. Kwijtgeraakt door armoede, zegt ze.

“Mijn zoon woont bij mijn ouders. Hij is uit huis geplaatst als gevolg van een vechtscheiding. Zijn vader ging continu het gevecht aan over de omgang en later over de voogdij. Hij bleef maar procederen en procederen. Op een gegeven moment was ik al meer dan 6000 euro kwijt aan advocaatkosten die ik niet kon betalen. Toen mijn zoon agressief werd, heb ik hem eerst vrijwillig bij mijn ouders laten verblijven. Later is er een uithuisplaatsing uitgesproken door de rechter. Ook daar kon ik niet meer tegen in beroep. Alles was op. Ik ben hem kwijtgeraakt door de armoede.



Ik leef al meer dan veertien jaar zo. Altijd maar de dubbeltjes tien keer omdraaien. Het begon met een hypotheekschuld nadat mijn ex en ik uit elkaar zijn gegaan. Ik was zwanger van mijn zoon en hij liet me zitten met het kind en de schuld van in totaal 50.000 euro. Ik heb geprobeerd het zelf af te lossen met het geld dat ik destijds verdiende als taxichauffeur en later mijn WW-uitkering.

1 euro
Ik leefde toen van een euro per week. Kreeg eten van kennissen en van mijn ouders de luiers. Maar uiteindelijk ging dat ging natuurlijk niet. Uiteindelijk ben ik naar een bewindvoerder gegaan. Sinds die tijd heb 50 euro per week leefgeld.

Met mijn huidige man heb ik twee dochters van 10 en 8 jaar. Van het geld dat mijn man verdient, lossen we via de bewindvoerder de schulden af. Omdat we op papier een redelijk inkomen hebben, komen we niet in aanmerking voor de potjes die er zijn. Voor stichting Leergeld bijvoorbeeld, of het Jeugdsportfonds. Mijn ouders betalen voor de sport van mijn dochters. Maar voor hoe lang? Dat zou anders moeten. De gemeente zou meer moeten kijken naar wat er onder de streep overblijft en niet naar wat er op papier binnenkomt. Wij behoren tot die groep van de stille armen.

De meiden hebben last van de armoede. Als de ijscoman voorbijkomt, zwaaien ze naar hem. Maar een ijsje kunnen we nooit kopen. Als er leuke uitjes zijn met het jeugdwerk, kunnen zij niet mee. Ik kan niets voor ze kopen. Kleding krijgen we en eten vaak ook. Groenten en fruit dat bij kennissen over blijft.

Wasmiddel
Ja, wij eten ongezond denk ik. Een zak friet bij de Lidl kost 1, 50. Een zak aardappelen zeker het dubbele. Dan gaat een paar keer per week de frietpan aan hier. En een pak frikandellen van 20 stuks is ook niet heel duur. Ik kan vaak zelfs het wasmiddel niet betalen. Zo’n pak kost wel 6 euro. Dan is het soms óf brood óf wasmiddel.

De kinderen gaan altijd voor. Zij krijgen alles, daarna ik. Het komt voor dat ik niet eet en zij wel. Ik heb zelf maar een fatsoenlijke broek. De school weet ervan. Ik betaal nooit mijn ouderbijdrage op tijd. Altijd pas als de kinderbijslag is geweest.

Soms ben ik ook geïrriteerd. Als ze blijven zeuren in de winkel bijvoorbeeld. Dan kan ik wel bot zeggen ‘ik heb geen geld, stop met zeuren.’ Soms zeggen ze ‘mama, je moet een staatslot kopen’. Of ze zeggen ‘ik wil die broek wel, maar hij is zo duur.’ Ik vind dat erg zat. Een kind zou zich daar niet mee bezig moeten houden. Ik denk wel eens dat ze minder kind kunnen zijn dan andere kinderen.

Armoedig
Op school worden ze er wel eens op aangesproken dat ze er armoedig uitzien. Als een zwerver. Mijn oudste wilde op een gegeven moment niet meer naar school. Het deed haar echt verdriet.

Toch denk ik dat het ook iets positiefs biedt om op te groeien met weinig geld. Mijn dochters zijn dankbaarder voor wat ze hebben. Ze zijn al blij me een snoepje, en hoeven geen hele zak. En als ze het later zelf ooit moeilijk hebben, weten ze hoe ze zich moeten redden. Rijkere kinderen die in armoede terechtkomen, zullen niet weten wat ze overkomt. Dat weten mijn dochters heel erg goed.”

Terug naar Wat beweegt Limburg