Dit artikel stond in De Limburger van 23 mei 2016

Slijtage in het taalbolwerk

Print
Slijtage in het taalbolwerk

Afbeelding: Berend Vonk

Staat het Limburgs aan de vooravond van de ondergang, zoals sommige taalkundigen beweren? Of is onze streektaal nog steeds vitaal, wellicht vitaler dan ooit? De waarheid ligt ergens in het midden, blijkt uit onderzoek van deze krant.

Om met het goede nieuws te beginnen: het gaat op dit moment prima met het Limburgs. Veruit de meeste Limburgers (79 procent) zeggen dat ze het dialect van de plaats waar ze zijn opgegroeid goed tot uitstekend spreken, 68 procent zegt hetzelfde over het dialect van de huidige woonplaats, en 92 procent zegt het dialect van de woonplaats in ieder geval goed of uitstekend te verstaan. 

Dat blijkt uit een enquête die onderzoeksbureau Flycatcher op verzoek van deze krant heeft gehouden. Een enquête waaraan een representatieve ‘uitsnede’ - ruim 1000 personen van 18 jaar en ouder - van de Limburgse bevolking heeft deelgenomen. Het zijn monsterscores die geen enkele andere streektaal in Nederland zelfs maar weet te benaderen. Dat komt niet helemaal als een verrassing. 

Meld je hier aan voor het Groot Limburgs Dictee

Ook uit tal van eerdere onderzoeken is al gebleken dat het Limburgs vitaler is en meer gesproken wordt dan om het even welke andere streektaal. Zelfs het Fries, toch altijd gelauwerd als een taal die diep geworteld is in de samenleving van die provincie - kan de vergelijking niet doorstaan. 

Tot zover het goede nieuws. Over naar de andere kant van de medaille. 

Eerste tekenen van betonrot
Wie zich niet laat verblinden door de glanzende cijfers die het Limburgs anno 2016 scoort, maar tussen die cijfers door een blik op de toekomst werpt, ziet ook iets anders: slijtage. Er zijn haarscheurtjes, misschien zelfs de eerste tekenen van betonrot zichtbaar in het zo hecht ogende fundament van taalbolwerk Limburg. 

Een paar simpele cijfers spreken boekdelen. Van de huidige generatie Limburgse jongeren (18 tot en met 29 jaar) is ‘slechts’ 53 procent met dialect opgevoed, tegen 70 procent van de 45-plussers. Een verloop dat te denken geeft voor de talige opvoeding van de huidige jeugd (de generatie tot 18 jaar). Juist ouders die zelf een dialectopvoeding hebben genoten zijn immers, blijkt uit de cijfers, eerder geneigd hun kinderen óók in het dialect op te voeden. 

De bereidheid van de huidige generatie 18- tot 30-jarigen om dat te doen (33 procent ‘zeker’, 23 procent ‘waarschijnlijk’) is aanzienlijk lager dan die onder oudere generaties (65 tot 70 procent ‘zeker’ ). 


Verschuiving van voorkeuren
Dialect is ook steeds minder de voorkeurstaal van jongeren. Slechts 24 procent van de leeftijdsgroep 18 tot en met 29 jaar heeft een sterke voorkeur voor het Limburgs, tegen 55 procent van de 45-plussers. Misschien nog veelzeggender: de jongeren spreken, vinden ze zelf, het Limburgs ook minder goed dan oudere generaties. 

Ook als het gaat om de situaties waarin dialect gesproken wordt, is er sprake van een duidelijke verschuiving van voorkeuren. Jongeren kiezen steeds vaker en in steeds meer situaties voor Nederlands. 

Waar 45-plussers de standaardtaal voornamelijk reserveren voor officiële en/of zakelijke contacten (bijvoorbeeld: gemeentelijke instanties, gezondheidszorg), daar spreekt een meerderheid (60 tot 65 procent) van de 30-minners zelfs Nederlands in de thuissituatie, met de partner en de kinderen. Alleen in contacten met vrienden (52 procent) en ouders (56 procent) kiest een hele magere meerderheid van de jongeren toch nog liever voor dialect. 

Stroomversnelling
Wie de cijfers nog wat verder analyseert, en probeert de afkalving van het Limburgs door de generaties heen in kaart te brengen, ziet dat de hier geschetste ontwikkelingen niet van vandaag of gisteren dateren. De beweging naar minder Limburgs en meer Nederlands is niet ingezet door de huidige generatie 18- tot 30- jarigen, maar al eerder, bij de groep die nu 30 tot 45 jaar oud is. De borelingen van de jaren 1970-1985, zeg maar. Wie alle cijfers naast elkaar legt, ziet dat ergens tussen die generatie en de generaties daarvoor (de huidige 45-plussers) sprake is van een waterscheiding. Daar is de achteruitgang in het gebruik van het Limburgs in een stroomversnelling beland.

Heeft het Limburgs eigenlijk nog wel toekomst? Wie de ontwikkelingen zo op een rijtje zet, komt misschien in de verleiding de uiterste houdbaarheidsdatum van onze streektaal niet te ver in de toekomst te leggen. En toch... Er zal nog heel wat water door de Maas stromen voordat - heel vrij naar Rowwen Hèze - ‘heel Limburg Hollands lult’ Als het al ooit zo ver komt. 

Er zitten in de cijferbrij die de enquête heeft opgeleverd namelijk ook positieve elementen. Elementen die wijzen op de taaie levenskracht die het Limburgs - zeker in vergelijking met andere Nederlandse streektalen en dialecten - eigen is. 

Lees meer over het dialect in ons dossier

Whatsapp
Wat opvalt, is dat het gebruik van dialect in Limburg doorgaans niet als conservatief, versleten of ouderwets wordt gekwalificeerd. Zelfs niet door degenen die het niet of nauwelijks spreken. De 18- tot 30-jarigen zijn het in meerderheid niet eens met de stellingen dat dialect vooral ‘de taal van de oudere Limburgers’ is, en dat je je in het dialect ‘minder nauwkeurig kunt uitdrukken dan in het Nederlands’. En ze zijn het in grote meerderheid wél eens met de stelling dat je ‘aan bekende Limburgers gerust mag kunnen horen waar ze vandaan komen’. Met het imago van het Limburgs lijkt dus niet zoveel mis te zijn. 

Hoe zit het met de dynamiek van dat Limburgs? Dat is tot op zekere hoogte wellicht af te meten aan het gebruik van dialect in de social media. Whatsapp (bij 23 procent van de gebruikers vaak tot vrijwel altijd in het Limburgs) en Facebook (14 procent) scoren redelijk, LinkedIn (1 procent) niet of nauwelijks. Opvallend: bij Whatsapp en Facebook zijn het met name de 45- en 60-plussers die dialect gebruiken, waarschijnlijk omdat het vooral om persoonlijke communicatie gaat. Het meer zakelijke LinkedIn leent zich blijkbaar minder voor ’plat’. Kan het Limburgs zich in de toekomst op de social media handhaven, wellicht zelfs uitbreiden? 

De jury is er nog niet uit... De vraag is hoe de groeiende kloof tussen dat (nog steeds goede) imago en het (steeds verdere afkalvende) gebruik van het Limburgs gedicht, of op z’n minst overbrugd kan worden.