De enige dakloze van Geleen, Mark, had toch een dak

Print
De enige dakloze van Geleen, Mark, had toch een dak

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

COLUMN - Het eerste dat me opnieuw opviel aan Hamburg: de grote hoeveelheid daklozen.

Ik was er afgelopen week voor een concert. Toen ik ’s avonds terugliep van de concertzaal naar mijn hotel, door die desolate vlakte waar Duitse binnensteden na zes uur altijd in veranderen omdat er niemand woont, zag ik er nog meer, verstopt onder dekentjes in portieken. 

Toen ik nog in Geleen woonde, kende ik één dakloze. Hij heette Mark. Dat wist ik, want hij was de enige dakloze die ik in Geleen ooit zag, dus iedereen wist zijn naam, en zelfs zijn levensverhaal. Toen ik op de lagere school zat, ben ik Mark ooit op een woensdagmiddag gevolgd, omdat ik wilde weten waar hij dan uiteindelijk, na die dagelijkse tocht door het centrum, naartoe ging. 

Ik moest al bijna terug naar huis voor het avondeten toen ik hem vlakbij station Lutterade een voortuin zag inwandelen, een sleutel uit zijn broekzak zag pakken en de deur van een huis zag openen. Toen ik thuiskwam, vertelde ik mijn moeder meteen over mijn ontdekking. 

Tot mijn teleurstelling wist ze het al. Mark had een huis, ja. Ze zei het alsof iedereen dat al lang wist, iedereen behalve ik. De enige dakloze die ik in het echt kende, had gewoon een dak. Het viel me enorm tegen van Mark. 

In de tien jaar die ik daarna in Utrecht woonde, zag ik meer daklozen en zwervers. Maar ook hier kende ik ze na een jaar allemaal. Als je alle daklozen in je stad kent, weet je dat het nog meevalt. Sommigen vroegen om geld. Dat gaf ik niet. Iedere euro die je een dakloze geeft, gaat naar drank of drugs; het verhaal van net die ene euro tekort voor de nachtopvang is altijd een smoes.

Verkocht iemand het Straatnieuws, dan kocht ik het wel, al las ik het blad niet. In Maastricht staat vlakbij het pand waar jarenlang V&D inzat ook geregeld een vrouw te spelen op een instrument dat je niet hoort. Die geef ik ook wat, want ze doet in ieder geval iets. Op de een of andere manier blijk ik nogal vast te houden aan de zegen van het arbeidsethos, zelfs bij mensen die dat kennelijk niet veel heeft opgeleverd. 

In Berlijn staan bij iedere metro en bij veel pinautomaten krakers te bedelen. Kerngezond, begin twintig. De wereld aan hun voeten, zouden ze ’m willen, maar voortijdig geveld door luiheid. Need money for weed, zag ik vorig jaar zelfs op een bordje van een jongen staan. Ik kreeg er vooral zin van om hem die broodnodige schop onder zijn kont zelf alvast te geven.

In Hamburg waren het geen krakers. De mensen met het winkelkarretje vol spullen naast ze waren van alle leeftijden. Ik zag op mijn horloge dat het nog geen twaalf uur was. En hoopte maar dat ze uiteindelijk toch een huissleutel uit hun zak zouden halen, net als Mark.