Een moslim uit Irak over andere moslims, Marokkanen en opvoeding

Print
Fadhel Al Hassouni is Irakees. Maar het gesprek gaat deels over Marokkaanse jongeren. Waaiert uit naar opvoeding, discriminatie, de islam en moslims in Nederland.

"Ikzelf ben als moslim in Nederland altijd door iedereen met respect behandeld”, zegt de 64-jarige Fadhel. "Echt, nooit slechte ervaringen gehad. Nederland is niet anti-moslim”. Al zijn de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen de laatste jaren wel verslechterd, weet Fadhel. "In de jaren zestig, zeventig, tachtig, zelfs nog negentig waren er helemaal geen problemen. Maar sinds de moord op Van Gogh, en daarna al die aanslagen, terreur, salafisten… Moslims zijn sindsdien in Nederland wél in een slechter licht komen te staan”.

In zijn kantoortje in Heerlen springt Fadhel van het ene onderwerp naar het volgende. "Maar moslims, dat zijn niet alleen Marokkanen en Turken! Er wonen meer nationaliteiten in Nederland, alleen al hier in Heerlen zijn het er 110. Afghanen, Syriërs, Irakezen, noem maar op. Kijk, ik volg op televisie veel van die talkshows, zo’n programma als Pauw. Als het over radicalisering gaat, zijn de tafelgasten altijd Marokkanen. En heel soms een Turk. Nu is het inderdaad wel zo dat als er iets aan de hand is met moslims, het vaak Marokkanen betreft. Op zich ook logisch, het is een meerderheid onder de moslims hier. Maar het werkt in de beeldvorming ook andersom: als er problemen zijn met Marokkanen, zeggen de mensen: daar heb je die moslims weer. Terwijl er met heel veel andere moslims dan Marokkanen helemaal geen problemen zijn in Nederland”.

Hij brengt ze regelmatig te berde, ‘de’ Marokkanen.

- U bent zelf Irakees. Wat weet u van Marokkanen?

"Om te beginnen heb ik veel contact met Marokkanen”, zegt Fadhel. Hij is als vrijwilliger werkzaam als budgetcoach, onder de vlag van welzijnsinstelling Alcander. En hij is voorzitter van de door hemzelf opgerichte SICMP (Stichting Iraakse Cultuur & Maatschappij Parkstad), een stichting bedoeld voor hulp bij integratie en begeleiding van nieuwkomers. Eerst alleen Irakezen, maar tegenwoordig voor bijna de helft andere nationaliteiten, veelal Afrikaans.

"Maar ik heb ook twaalf jaar als docent gewerkt in Noord-Afrika: Marokko en Algerije”, vertelt Fadhel, die voor zijn vlucht uit Irak in 1994 petrochemisch ingenieur én docent scheikunde en natuurkunde was. Hij weet dus wel wat van het opvoeden van kinderen, ook Marokkaanse kinderen, wil hij maar zeggen. Opvoeding, legt Fadhel uit, gebeurt in een driehoek: familie, school en maatschappij. "En als een gezin puur is gericht op geld verdienen, dan gaat het mis. Dan willen de kinderen snel een dikke auto en mooie kleren. Maar ze kunnen niet wachten tot ze netjes een opleiding hebben afgerond en een goede baan hebben waarmee ze iets kunnen opbouwen. Ze willen het allemaal snel, snel, snel. En dan belanden veel van die kinderen dus in de criminaliteit. Dat is een deel van de verklaring waarom het zo vaak mis gaat met Marokkaanse jongeren. Die ouders kwamen hier indertijd met het enige doel: geld verdienen. Ze besteden te weinig aandacht aan de opvoeding. Niet allemaal natuurlijk, er zijn genoeg Marokkanen die het hier hartstikke goed doen. Maar in veel gezinnen is dit wel hét probleem”, analyseert Fadhel.

Daar komt nog bij, zegt hij, dat die Marokkaanse ouders meestal laag waren opgeleid. "En dan is opvoeden extra moeilijk. Als je geen contact hebt met school dan vaar je als ouder dus blind op wat je kind je vertelt. Kinderen misbruiken die vrijheid. Dus ik zou zeggen: práát met je kinderen! Leg hen uit hoe ze zo’n dikke auto op een verantwoordelijke manier óók kunnen krijgen. Veel Marokkaanse ouders doen dat niet, of te weinig. Ze kunnen het niet, door taalproblemen of omdat ze analfabeet zijn”. Al mag de Nederlandse samenleving als geheel ook wel een tandje bijzetten, voegt hij er aan toe. "Het ligt niet alléén aan de Marokkaanse gezinnen! Er is weinig verbinding tussen hen en de maatschappij. We moeten méér contact met hen leggen”.

Ook ten aanzien van radicalisering ziet Fadhel gevaren. "Want ook op dat punt moet je met je kinderen praten. Met wie trekken ze op? En wat zegt de imam precies in de moskee? Die jongen uit Maastricht die is uitgereisd naar Irak, hij was zestien! Minderjarig! Het gezin moet bewaken dat kinderen niet radicaliseren. En als het gezin niet fungeert als waakhond dan gaat het mis”. 

Maar wat is dan toch het cruciale verschil tussen Marokkaanse gezinnen en – bijvoorbeeld – Iraakse? Beide immigrantenachtergrond, beide islamitisch.

"Het grote verschil? Dat is het doel waarmee we naar Nederland zijn gekomen. Wij Irakezen zijn vluchtelingen, wij zijn gekomen voor vrijheid en veiligheid, niet alleen vanwege het geld. Marokkanen wel”.

Dat brengt hem op zijn boodschap aan alle immigranten. "Nederland is een mooi land, het geeft ons en onze kinderen alle kansen om een mooie toekomst op te bouwen. Dus ik zou zeggen: grijp die kans ook! Volg onderwijs! Taal is de sleutel tot de Nederlandse samenleving”.

En die samenleving, die behandelt hem goed, benadrukt Fadhel keer op keer. "Ik krijg veel respect hier. Maar als je jezelf aan de regels houdt, aan de normen en waarden hier, dan kríjg je ook respect. Ik ben altijd behandeld als mens. Ik voel geen verschil tussen mij en andere Nederlanders. Doe je job goed, lever je bijdrage aan de maatschappij, en dan word je zelf ook goed behandeld. Niemand die je dan discrimineert hier”.

Uit zichzelf haalt Fadhel een eerder verhaal aan uit deze serie Allochtonen in Limburg. Marokkaanse Maastrichtenaar Hassan Es-Sadki klaagde in een brief aan de krant over ‘indirecte discriminatie’

Algerijnse Maastrichtenaar Nanou Medjadi reageerde daar geïrriteerd op, en kreeg veel bijval. 

Fadhel: "Het is gewoon niet wáár wat Hassan Es-Sadki zegt. Hij roept te gemakkelijk ‘discriminatie!’. Dan moet hij ook met bewijzen komen. Als je op de kieslijst van het CDA staat, dan word je niet gediscrimineerd!”.

Hij pakt een stapel knipsels uit zijn bureaula. "Kijk. Ik ben de afgelopen jaren meermaals geïnterviewd. Hier, en hier en hier. Dat is dus géén discriminatie, als de krant je steeds de kans geeft om je verhaal te vertellen. Ik heb u ook gemaild om met mij te komen praten. Als er echt sprake was van discriminatie, had u de mail in de prullenbak gegooid en was niet gekomen. Maar u zit nu hier”.

Het is echt een fijn land, besluit hij. "We zitten samen in een schip, we ademen allemaal dezelfde lucht. En we moeten samenwerken. Zorgen dat de maatschappij stabiel blijft”.   

Terug naar Wat beweegt Limburg