'De hele wereld verandert, de kermis blijft de kermis'

Print
'De hele wereld verandert, de kermis blijft de kermis'

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

COLUMN - Het was kermis, dus ik was in Geleen. In Geleen opgroeien betekent niet per se dat de rest van Nederland je later in je leven tegenvalt. Op één onderdeel na. De kermis.

Toen ik de eerste keer de kermis van Amsterdam bezocht, vroeg ik me af: "Waar staat de rest?" Er was geen rest, dit was het. Ik vond het een bespottelijke kermis en dat vind ik het nog steeds.

Zelfs die van Tilburg, waar iedereen het altijd over heeft, viel me tegen. Inderdaad, hij is groot. Maar dat komt omdat alles er gewoon twee of drie keer staat. Ja, zo kan ik het ook.

De enige keer in mijn leven dat mijn moeder me een straf heeft gegeven die totaal disproportioneel was, was toen ze me er op betrapte dat ik voor de zoveelste keer ’s avonds uit bed was gekropen om naar het opbouwen van de kermis te kijken. Ik vond het bekijken van het ontstaan van al die attracties totale magie; alsof ik de schepping mocht bijwonen. Toen ik per ongeluk tegen een treintje op mijn vensterbank stootte en dat op de grond viel, verraadde ik mezelf. Ik sprong snel in bed, maar tevergeefs: de deur van mijn kamertje vloog al open. Ik mocht de eerste twee dagen niet naar de kermis. Het begrip ‘ontroostbaar’ kende ik nog niet, maar het gevoel vanaf toen wel.

Goed beschouwd heeft een kermis iets troosteloos. Ik ging vorige week in het spookhuis en het was weer verschrikkelijk slecht. Terwijl je je inmiddels met virtual reality binnen drie seconden in een wereld vol trollen en elfen kunt wanen en meteen vergeet dat je gewoon met een rare bril op je hoofd staat, zie je in het spookhuis op de kermis nog steeds iedere piepende en krakende pop van tien meter aankomen.

Tegelijk vind ik dat er mooi aan: de hele wereld verandert, de kermis blijft de kermis. Ik ging in de botsauto’s en er reed een jongen met gel-haar op me af in precies dezelfde houding als altijd: één hand bovenop het stuur en de rest van het lijf zo nonchalant mogelijk laag boven de grond. Zelfs de ijskar met softijs is nog dezelfde als toen ik op de basisschool zat. Er staat ook nog steeds ‘consumptie-ijs’ op, alsof je het ijs anders in je broek zou gieten.

En dan is er nog de categorie mensen die je nooit ergens anders ziet, wanneer dan ook. Kermisvolk. Ze zien er op elke kermis hetzelfde uit, waar die ook staat. Het lijkt wel of ze meereizen. Ik kan uren kijken naar kermisvolk. Ze vormen zélf een attractie, die lijkt op al die andere: net zo kleurrijk, net zo weinig subtiel.

Mijn lievelingsattractie stond er ook weer: de kamelenrace. Na een uur had ik eindelijk vaak genoeg gewonnen voor een knuffelkameel die er niét uitzag als de altijd prijs-prijs. Trots liep ik terug naar mijn auto. Over mijn schouder mijn kameel, de trofee van deze kermisdag.