'Alle Amerikanen zijn als het publiek van Jerry Springer'

Print
'Alle Amerikanen zijn als het publiek van Jerry Springer'

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

Met een 3 (‘trois’, dat weet ik dan wel nog) bleef ik op 4 vwo zitten op Frans. Het is nooit meer goed gekomen met mijn Franse taal. Sterker, het is ook nooit wat geworden tussen Frankrijk en mij.

Negen jaar lang heb ik verkering gehad met een meisje uit Urmond met een Franse moeder, dus aan de inspanningen om mij tot het land te bekeren kan het niet hebben gelegen. Fransen zijn zoals bekend chauvinistischer dan inwoners van Maastricht en Amsterdam opgeteld. Dus in Urmond kwam de muziek van Aznavour, Bruel en Hallyday, en het nieuws van France Inter. Ik heb toen geleerd dat Fransen het onbedoeld afstraffen als je een paar regels van hun taal spreekt: dan praten ze drie keer zo snel terug, zodat je het al snel afleert.

De Franse oom van mijn vriendin was het archetype van een Franse intellectueel: nuchter al breedsprakig, na een paar glazen wijn nog veel meer, ervan overtuigd dat het centrum van het universum zich afspeelde in het Parijs van mei ’68, en anti-Amerikaans zoals alleen mensen dat zijn die nog nooit in de Verenigde Staten zijn geweest.

Jerry Springer had in die tijd een televisieprogramma, en volgens de Franse oom waren alle Amerikanen zoals het publiek van Jerry Springer. Disneyland zou een vestiging bij Parijs openen en daar was hij natuurlijk fel tegen, want Amerikanen hebben volgens Fransen geen cultuur.

Zelf verheugde ik me juist op Euro Disney: eindelijk een bedrijf in Frankrijk dat misschien wél aan service ging doen. En ik keek ook liever naar Amerikaanse films dan naar Franse, waarin altijd twee mensen rookten in bed, terwijl ze Satre citeerden.

Ik heb vrienden die lyrisch zijn over Frankrijk. Totale Francofielen. En alles wat ze erover vertellen, eerlijk is eerlijk, klinkt overtuigend en aanstekelijk. Een van mijn favoriete films (La Haine) is Frans, een van mijn favoriete schrijvers (Michel Houellebecq) eveneens, ik vind Parijs prachtig en Dordogne ook, en ik ben op dit moment in Clisson voor mijn favoriete muziekfestival, Hellfest. En toch overvalt me iedere keer in Frankrijk het gevoel: dat is mijn land niet.

Donderdag stond ik bij Le Mans af te rekenen bij een tankstation en realiseerde me ineens: ah ja, hier was ik twee jaar geleden ook, eveneens op weg naar Hellfest. Hier stond ik toen verbijsterd te kijken naar het personeel, dat precies op dat moment van dienst wisselde, en rustig bijpratend eens even de kas ging tellen, muntje voor muntje, onder het toeziend oog van een met de minuut groeiende rij. In Frankrijk kan dat gewoon.

Misschien ben ik teveel een consument geworden, dat kan natuurlijk ook. Ben ik te verpest door de vrije markt om de existentiële schoonheid in te zien van het hotelpersoneel dat vanochtend om half elf ophield met het bijvullen van het hotelbuffet, dat immers om elf uur ging sluiten. Misschien heb ik als vegetariër niks te zoeken in dit laatste bastion van de carnivoor.

Of misschien had ik gewoon beter mijn best moeten doen in de vierde klas.