'De eerste communie deed ik nog wel, want ik wilde een fiets'

Print
'De eerste communie deed ik nog wel, want ik wilde een fiets'

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

Donderdag ging ik langs bij een remigrant. Een vriend van me is na jaren in de Randstad terugverhuisd naar Zuid-Limburg. De tweede al binnen een paar jaar.

De eerste viel het aanvankelijk tamelijk zwaar: hij was in Den Haag de dwingende gezelligheid van de buurtvereniging en vele andere verenigingen vergeten, en had die ook niet gemist. Zijn kinderen, geboren in Den Haag, hoefden van hem hier niet mee te doen aan het vormsel, en hij dacht dat dat inmiddels ook in Limburg voor wel meer kinderen zou gelden. Ik zou hetzelfde hebben gedacht.

Aan de eerste communie heb ik zelf nog meegedaan (ik wilde een nieuwe fiets, en al kende ik het woord nog niet: ik was een zesjarige opportunist), voor het vormsel heb ik tot de teleurstelling van mijn moeder bedankt. Volgens mij samen met twee andere klasgenoten. Dat percentage bleek tot verrassing van mijn eerste terugverhuisde vriend niet gestegen, en de druk om wel mee te doen bleek niet gedaald. 

De andere vriend, nu terugverhuisd naar een kerkdorpje, had een voor Amsterdamse begrippen groot appartement. Hij had geen buiten, maar veel mensen in Amsterdam hebben geen buiten, en als ze het wel hebben heet het op Funda een dakterras en in de werkelijkheid een Frans balkon. Het huis dat hij nu had gekocht was veel goedkoper dan zijn Amsterdamse  appartement, waar hij bovendien een enorme winst op had gemaakt, zoals iedereen in Amsterdam die nu zijn huis verkoopt, al wonen ze in een kippenhok. Toevallig hoorde ik deze week nog van een huiszoekende kennis over een ‘studio’ van twee ton die zeventien vierkante meter bleek, met de briljante toevoeging ‘met open keuken’.

Ik reed de straat in, voorbij de kerk de berg op, en zag links het nummer dat hij me had doorgegeven. Kennelijk klopte dat niet, dacht ik even, want dit was geen huis, maar een complete boerderij. Ik belde toch maar aan, en ik hoorde binnen het geluid van de bel over een binnenplein galmen. Mijn vriend deed de deur op. Hij zag stralend uit, zijn vrouw ook. Mijn boxer verdwaalde bijna op hun binnenplein.

Mijn vriend zit in de culinaire wereld, en wist in Amsterdam altijd precies waar je de ultieme koffie kreeg, het lekkerste brood, de beste kazen. Ik vroeg of hij dat enorme aanbod niet miste. Hij zei: ‘Ik sta er vooral van te kijken hoe goed het aanbod hier op de weekmarkten is. Dat wist ik niet. Omdat het ook nooit wordt gezégd. In Amsterdam hadden ze dat al lang van de daken geschreeuwd.’

Ik krijg soms bezoek, en dat leid ik dan door mijn appartement. Kijk, de slaapkamer, hier mijn werkkamer, dit is de badkamer, en voilà: de woonkamer en keuken. Als ik voor aanvang van de rondleiding op het knopje van het espressoapparaat druk, ben ik precies tegelijk klaar met de koffie.

Zijn rondleiding door zijn nieuwe huis duurde bijna een uur, en eindigde bij zijn zwembad, uitkijkend over het bos, iets voorbij zijn toekomstige boomgaard. Toen zei hij: “Dus je snapt nu wel waarom ik Amsterdam niet mis.” Dat snapte ik wel, ja.