'Eerst vinden ze het zielig, dan willen ze 'm dood'

Print
'Eerst vinden ze het zielig, dan willen ze 'm dood'

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

COLUMN - Sinds kort heeft mijn appartement een extra bewoner. Ik heb een muis in huis.

Zelf had ik hem niet gezien, maar mijn vriendin stuurde opeens een foto van de bovenste keukenlade, met in een hoekje de muis, die demonstreerde waar de term ‘muisstil’ vandaan komt. De dag erna kwam nog zo’n foto. Dezelfde la, zo te zien dezelfde muis, al vind ik muizen tamelijk op elkaar lijken. Ze schreef erbij: "Jerry kijkt wel lief.”

Dat leek me een slecht idee, hem een naam geven. Elke massamoord is ooit begonnen met het ontmenselijken van de slachtoffers. Het tegenovergestelde doen, vermenselijken, zal een oplossing van dit probleem niet dichterbij brengen.

Donderdagochtend ging ik langs bij een gereedschapswinkel voor die oplossing.

Ik zei dat ik een muis in huis heb en daarvan af wil. De man zei dat hij die vraag de laatste weken heel vaak krijgt. Dat krijg je ook altijd wanneer je de griep hebt: dan gaan mensen je vertellen dat ‘het heerst’. Sommige mensen geloven écht dat gedeelde smart halve smart betekent.

De man van de winkel zette een pakje op de toonbank.
Ik vroeg: “Is dit een val?”
Hij knikte ontkennend. “Korrels.”
“Gif?”

Hij knikte bevestigend. Het was alsof hij het woord ‘gif’ zelf niet in de mond wilde nemen.  
Ik zei: “Heeft u ook een diervriendelijke val?

Hij reikte omhoog en pakte een val van een koord dat boven de toonbank hing. “Deze hebben we ook. Die willen mensen meestal als ze de eerste keer hier komen.”

Ik vroeg wat ze dan willen wanneer ze terugkomen.
Hij grijnsde, en zei: “Een hamer.”

Ik bekeek de val van dichtbij. Deze kende ik. Jaren geleden had ik ook een muis, en toen kocht ik ook zo’n val. Na twee dagen zat de muis erin. Ik heb hem toen om de hoek van mijn straat uit de val vrijgelaten.

Een dag later had ik weer een muis. Iemand zei toen dat het dezelfde was, omdat ik hem te dicht bij mijn huis had losgelaten: dan wist hij de weg terug. Het leek me een kulverhaal, maar dat is misschien omdat ik vroeger in Amsterdam altíjd verdwaalde, en me niet kon voorstellen dat iemand anders in één keer de weg in de binnenstad kon leren, zeker niet een muis.

Diezelfde nacht was de val weer gevuld. Ik ben met de muis drie grachten verder gelopen voor ik hem losliet. Ik ging zelfs tegen hem praten onderweg, om hem gerust te stellen. Het leek te werken, al weet ik niet of ook muizen het Stockholmsyndroom kennen.

De man zei: “Iedereen vindt het eerst altijd zielig, dan willen ze deze val. Drie weken later staan ze weer hier, en dan zeggen ze: kan me niet schelen, als hij er maar dood van gaat.”

Ik rekende mijn val voor Jerry af.
Toen ik naar de uitgang liep, zei de man: “Tot ziens.”