'Als je wint, heb je vrienden, en het waren er veel'

© De Limburger/Stefan Koopmans

Columnist Leon Verdonschot schrijft over wat hij meemaakt, ziet en observeert tussen Amsterdam en Maastricht. Het goede leven met een vleugje rock-’n-roll.

Leon Verdonschot

Zaterdagavond was ik in Almere. Ik ben nooit in Almere. Sommige steden hebben dat: je hebt er niks te zoeken, je kent er niemand, en alles dat je er van ziet, hoort en leest bevestigt: niet mijn stad. Lelystad; ook zo’n plek. Ik kocht er een paar jaar geleden een auto over van iemand. Die was vervolgens altijd kapot. Dat bedoel ik dus.

Een paar jaar geleden trad ik Amstelveen op in de schouwburg, samen met Nico Dijkshoorn. We stonden in de kleine zaal, in de grote was een musical. Die was wél uitverkocht. Toen ik tegen middernacht door de artiesteningang naar buiten liep, stonden daar een paar meisjes voor te wachten. Ze keken hoopvol. Een seconde, tot ze zagen dat het niét Jamai was die hier naar buiten kwam, maar een kale Limburger.

De reden van bezoek aan Almere was een kickboksgala. De sporthal lag in een uitgestrekt, kaal gebied ver buiten het centrum. Er lag wel een restaurant naast. Het was gigantisch. Ik keek op hun site. Het was een ‘wereldrestaurant’, wat volgens de site betekende: ‘grenzeloos genieten’. Het was eigenlijk een Chinees, een Italiaan, een Mexicaan, een frituur en een Japanner in één, en dan natuurlijk onder het favoriete motto van de grenzeloze mens: ‘onbeperkt’.

Op de site stond ook een lijstje met de meest gestelde vragen. ‘Kan ik de rekening apart betalen?’ ‘Moeten baby’s ook betalen?’ ‘Geldt er een special tarief bij maagverkleiningen?’ ‘Ik ben vandaag jarig maar ga dit op een andere dag bij jullie vieren. Krijg ik dan ook korting?’

Ik was nog nooit binnen geweest, maar toch had ik voor mijn gevoel al een indruk van het restaurant en zijn bezoekers.

De winnaar van het kickboksgala was een Turkse vechter, Murat. Het was een taaie knokker, en hij werd luidkeels toegejuicht door een grote groep Turkse jongens naast me. Toen Murat tot winnaar werd uitgeroepen, kreeg hij een enorm wit kartonnen bord, waarop zijn prijs stond: 100.000 euro. De Turkse jongens klommen over de hekken en stormden de ring in, om Murat op hun schouders te nemen. Als je wint, heb je vrienden, en het waren er veel.

Waarschijnlijk om te voorkomen dat alle bezoekers in één keer de sporthal zouden verlaten, hadden de organisatoren na de hoofdpartij nog een gevecht gepland. Die opzet mislukte: de volledige hal stroomde leeg, en in de coulissen zag ik een vechter al klaar staan om over de catwalk naar de ring te lopen, in een hal met duizenden stoelen en nog maar enkele tientallen bezoekers. Ik had met hem te doen; ik stelde me voor hoe hij al weken over deze entree had gefantaseerd, met in zijn hoofd het gejoel uit duizenden kelen. En nu stond hij hier te wachten in de coulissen, heel lang, omdat hij nog niet de catwalk op kon: daar stonden enkele fans van Murat nog op te dansen met de cheque van een ton in hun hand.

De toeschouwers op de witte plastic stoelen achter me voorspelden vlak voor hun vertrek dat de jongeren zich eenmaal buiten zouden ontpoppen als ‘toeter-Turken’. Ik geloofde niet dat daar dan iemand in de wijde omgeving van deze sporthal last van zou hebben. Behalve misschien de grenzeloze genieters bij de buren, wachtend op hun aparte rekening.

Wil je alle Plus-artikelen lezen?

Dagelijks publiceren we meer dan 100 Plus-artikelen op onze site & app. Nieuws, achtergronden, analyses, reportages, interviews en columns. Word nu digitaal abonnee en kies voor een jaar lang korting of maandelijkse flexibiliteit.

Kies digitaal