'Kilometerslang werd ik op de hielen gezeten door een freak'

© Peter Schols

BLOG - Vijf jaar geleden reed ik in mijn brikkie over de A73 naar huis. Dat was niet bijzonder, dat deed ik iedere dag. Het was ook niet bijzonder dat ik luid meezong. Bijzonder was de zwarte Volkswagen station die al een tijdje achter me reed en met zijn lampen knipperde.

Kristel Schreurs

Wat moet die dan? Was er iets mis met mijn auto? Ik keek naar het dashboard en zette het geluid van de radio zachter. Niks geks. Misschien was mijn achterlicht kapot? Of was ik soms aso geweest? Terwijl ik de muziek weer harder zette, ging hij naast me rijden.

In plaats van boze handgebaren, zag ik een breedlachend gezicht. Meneer ging voor me rijden en minderde vaart. De idioot. Ik haalde de station in en keek vragend opzij. Meneer Volkswagen zwaaide nonchalant. Via de achteruitkijkspiegel probeerde hij contact te leggen. Ik keek strak voor me uit, begreep zijn boodschap meteen. Hij wilde dat ik de volgende afslag nam met de intentie iets anders te nemen. Hij bleef met zijn lichten knipperen en naar rechts gebaren. Ik voelde me steeds ongemakkelijker. In een poging hem af te wimpelen, schudde ik ‘nee’ en stak ik mijn hand op. Ik wees naar mijn mooie Kruidvatring. Maar de man haalde zijn schouders op en deed hetzelfde. Ik denk niet dat zijn ring ook van het Kruidvat was. Wat te doen? Als ik naar huis zou rijden, zou hij me vast volgen. Die veilige route was geen optie. Ik voelde me meer en meer als opgejaagd wild. Ik reed maar door en door om hem af te schudden. Tot mijn gigantische opluchting lukte dat uiteindelijk, maar wel pas toen ik de A74 naar Duitsland pakte. Trillend reed ik vervolgens naar huis.

Deze week werd ik weer achtervolgd. Niet door een vetkees in een Volkswagen, maar een bullebak in een BMW. Groot licht, klein licht, hij bleef erin. Pas nadat ik mijn auto bijna in een laadbak van een Oostblokker had geboord, kwam ik erachter dat het een smeris was. Pardoes transformeerde ik in een rijexamenkandidaat, terwijl ik met vooroorlogse ziektes vloekte. Hoe hard had ik gereden? 110? 120? Waarom was dat blauwe zwaailicht me niet eerder opgevallen? De agent ging voor me rijden. ‘Politie volgen’, las ik. Wat een feest. Ik volgde en parkeerde mijn auto op een aftandse parkeerplek.

Terwijl hij uitstapte, draaide ik het raampje open. “Goedemiddag mevrouwtje.” zei de platte pet “Heeft u haast?”. Echt origineel was hij niet. Maar ik hield mijn mond. Het leek me geen goed idee zijn openingszin te bekritiseren. Of te zeggen dat hij naar uien stonk. In plaats daarvan zette ik mijn Bambi-gezicht op. De blosjes op mijn wangen deden de rest. Althans, dat hoopte ik. “Rijbewijs?”, zei hij kortaf. De handen door mijn haren halen leek me overdreven. Zonder mokken overhandigde ik mijn papieren. Ik zette me schrap. “Je mag hier maar 100 kilometer per uur. Jij reed 120.” Ik knikte. “Dat gaat je minstens 100 euro kosten.” Ik knikte voor de vorm, bood mijn excuses aan en lachte lieflijk. Ik zag hem twijfelen. “Vooruit dan maar. Maar laat het niet weer gebeuren.”

Tja. Het is niet altijd leuk om een kwetsbaar hertje te zijn. Maar soms kan Bambi een rekening vereffenen.

Wil je alle Plus-artikelen lezen?

Dagelijks publiceren we meer dan 100 Plus-artikelen op onze site & app. Nieuws, achtergronden, analyses, reportages, interviews en columns. Word nu digitaal abonnee en kies voor een jaar lang korting of maandelijkse flexibiliteit.

Kies digitaal