Dit artikel is exclusief voor jou als abonnee van De Limburger te lezen
Plus-artikelen zijn exclusief voor abonnees van De Limburger. Verder lezen?

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Gerarduslezing

Dit is een bewerkte versie van de eerste Gerarduslezing die columnist Gerard Kessels hield in de monumentale bibliotheek van het Redemptoristenklooster in Wittem. De lezing had als titel ‘Opdat de draad niet breekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek’. Dit verhaal is ook in audio te beluisteren.

Dit is een verhaal. Een lang verhaal. Mijn verhaal.

Ik wil een beeld schetsen van mijn ontwikkeling als katholiek. Een weg die voor veel mensen van mijn generatie herkenbaar zal zijn. Een lastige route van vallen en opstaan. Van veel vallen en weinig opstaan. In de loop van de jaren ben ik het onderwerp vaak te lijf gegaan met columns. Hier en daar meng ik er een door mijn verhaal, in cursief.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

‘Opdat de draad niet breekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek’. Hoe is het allemaal zo gekomen?

Het verhaal begint met een naam. Waarom heet ik Gerard? Dat is geen toeval. De heilige Gerardus Majella is de patroon van de kleermakers en ik stam uit een kleermakersfamilie. Van beide kanten. Mijn opa van vaderskant was kleermaker en die van moederskant ook.

De vader van de Heilige Gerardus, de oude Majella zeg maar, was kleermaker in een arm dorpje in Zuid-Italië. Maar Gerardus is niet alleen de patroon van de snijders. Hij wordt ook aangeroepen door portiers. Gerardus was een tijd portier in een klooster. Hij beschermt ook nu nog tegen lieden die zonder geldig pasje binnen proberen te komen. Ook, en dat is weer een heel andere tak van sport, staat hij zwangere vrouwen bij. Hij verzacht pijnlijke weeën. Ook helpt hij, en dat is misschien nog wel het belangrijkste, bij, zoals het er staat: ‘hopeloze gevallen’en daar krijgt elk mens - voor zover hij dat zelf al niet is - in zijn leven mee van doen.

Kortom, toen de heiligen de taken verdeelden, heeft Gerardus zich niet gedrukt. Een perfecte heilige die 24 uur per dag bescherming biedt. Hij leefde in de achttiende eeuw in Zuid-Italië. In 1749 meldde hij zich als bij de Redemptoristen als lekenbroeder. Deed daar zonder morren het eenvoudigste werk.

Ook werd hij bekend om zijn liefdadigheid. In een ijskoude winter gaf hij zijn borstrok weg. Op de een of andere manier wist hij de armen die zich elke morgen bij de kloosterpoort verzamelden, te eten te geven. Een wonder.

Al snel - hij werd maar 29 jaar, dus moest hij wel snel zijn - werd hij in verbinding gebracht met bovennatuurlijke verschijnselen. Hij deed genezingen en had de gave van bilocatie. Hij werd op meer plaatsen tegelijk gezien. Op die gave is elke journalist jaloers.

Terug naar mijn wortels.

Kleermakers van twee kanten. De Limburgse kleermaker Kessels uit Nederweert en de Brabantse kleermaker Dovens uit Lieshout kwamen elkaar tegen op een stoffenbeurs in Tilburg. Beide heren, goed in het pak, konden het prima met elkaar vinden. De kleermaker uit Lieshout had zeven kinderen en die uit Nederweert elf. Baas boven baas. Allemaal kinderen in de huwbare leeftijd en beide kleermakers besloten hun families kennis te laten maken en jawel: daar schoten drie stralen dooreen, drie huwelijken. Twee keer Kessels-Dovens en een keer Dovens-Kessels.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Voor mij als kind van een Kessels-Dovens was het vroeger een indrukwekkend gezicht als ik in Nederweert of in Lieshout in de kleermakerij kwam. Daar zaten mannen op tafels die in lappen stof knipten of er met van die grote platte stukken krijt lijnen op trokken. Nauwkeurig werk. En ze maakten allemaal donkere pakken. Ik heb ze nooit met een lichte lap stof gezien. Het waren die foto’s van vroeger die we allemaal zo goed kennen. Oude familiealbums staan er vol van. Alles donker, zwart. Strakke gezichten, een foto was een doodernstige aangelegenheid. Als je ter communie ging, lachte je toch ook niet?

Ook bij een trouwerij stonden ze er allemaal op alsof ze naar een begrafenis moesten. Ze hadden toen alléén maar van die pakken. Bij mij is het donkerste, het somberste pak uit de kast, nog altijd het ‘rampenpak’.

Ondanks al dat donkere werd er veel gelachen bij het knippen. Jennen, geintjes maken. Ik weet nog dat mijn vader een pak bestelde bij zijn broer Harrie. Toen hij het thuis op de slaapkamer de eerste keer paste, kwam hij een beetje ontdaan van de trap af. Harrie had aan de binnenkant van de gulp zo’n rood lintje met witte tekst genaaid dat om de hals van de flessen jenever zat: ‘De oude Proever’.

Oom Harrie was altijd de grote grappenmaker in de familie. De laatste jaren van zijn leven reed hij in het verzorgingshuis rond in een karretje, beide benen afgezet vanwege de suiker. Achter op dat karretje had hij een bord met de tekst: ‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’.

Ik was thuis de oudste zoon. Het gewicht van de kleermakerstraditie rustte op mij. In mijn paspoort staat Gerardus, Petrus, Martinus, Josephus met ph. Alsof het al niet lang genoeg was. Bij het invullen van formulieren deed die ph mij vaak net de das om.

In zo’n groot gezin als dat van opa en oma Kessels, met acht jongens en drie meisjes, moest er één priester worden. En dat was mijn vader.

Hij was braaf en intelligent. Hij vertrok met de handen ten hemel gevouwen naar Rolduc, maar zette niet door. Hij koos voor een leven in de wereld en werd gemeenteambtenaar. Hij trad dan wel niet toe tot de bemanning van het schip Gods, maar hij bleef wel altijd een zeer verdienstelijke buitenboordmotor.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Ik ken hem niet anders als ’s avonds werkend aan de tafel in de kamer. Niet alleen voor de gemeente, maar ook voor een groot aantal verenigingen waar hij inzat. Meestal was hij daar de secretaris, de schrijver. Van kerkbestuur, tot kerkkoor, tot Sint Vincentiusvereniging.

Overijverig was hij. Als op donderdag de raadsvergadering was en hij als ‘sik’ de notulen moest maken, had hij die op maandag klaar. Twintig A4’tjes. Op zondagmorgen zat hij dan vaak in het gemeentehuis tegenover de kerk te tikken. Kerkgangers die daarbinnen het gerammel hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Daar is er een vergeten naar huis te gaan’.

Het altaar had hij dan wel niet betreden, zijn leven bleef doortrokken van godsvrucht. Hij hield ons voor dat het allemaal in één keer afgelopen kon zijn en dat je daar op voorbereid moest zijn.
 

COLUMN

Als de Heer roept, moet je klaar zijn. Omdat Hij vaak plotseling en ruw roept, moet je in hoge staat van paraatheid door het leven gaan. 

Estote semper parati, weest altijd gereed, zei mijn zeer katholieke vader altijd. Hij had zijn priesterstudie nooit afgemaakt, maar was tjokvol Latijn teruggekeerd uit Rolduc.

Bij elke pijn had hij passend Latijn. Zelf was hij altijd klaar. Bij leven al tamelijk heilig. Goed voor zijn gezin, royaal voor de armen, wijs raadsman voor het halve dorp. Een rijbewijs had hij niet, zodat hij ook in het verkeer weinig kwaad kon doen. De smerige kanker die hem in vijf jaar uitkneep, gaf hem alle tijd zich op de eeuwigheid voor te bereiden maar ook als hij in één keer zou zijn omgevallen, had de Heer hem subiet tot zich genomen. Op dit menstype zijn ze dol daarboven.

De spreuk van de paraatheid was in huis niet beperkt tot het optreden van Magere Hein. Het leven zat vol valkuilen. Altijd lag ondergoed klaar voor een ziekenhuisopname. En als ik een onverwachte overhoring op school verknald had, bromde vader zijn lievelingsspreuk.

Dezer dagen kwam vaders Latijn terug. Ik moest in het ziekenhuis foto’s laten maken van mijn heupen. Broek en schoenen uit, sokken aanhouden. Toen ik in deze ellendige staat naar het apparaat sukkelde, zag ik tot mijn schrik dat in een van mijn sokken een flink gat zat.

Ik moest gaan liggen en de zuster pakte mijn voet, vlakbij het gat. In het grote scherm boven mij zag ik mijn vader. Hij schudde zijn hoofd.


Nog iets uit zijn Rolduc-tijd kwam naar voren toen hij bediend werd. We zaten met zijn allen in een kring in de kamer. En opeens lag daar een koperen kruis. Een handkruis, niet groot, niet klein. Voldoende Jezus op het metaal.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Wij kinderen hadden het nog nooit gezien. Meegenomen van Rolduc. Heel zijn leven moest hij het ergens op zijn slaapkamer hebben gehouden. In moeilijke momenten moet hij het bij zich hebben gepakt. Wat zou hij er allemaal tegen gezegd hebben?

Zijn dood was verschrikkelijk. Hij had darmkanker, raakte op het laatst totaal uitgeteerd. Soms sloeg moeder de lakens terug. Ik vergeet nooit de zwarte plekken op zijn benen van het doorliggen. Hij moest de kelk tot de laatste druppel leegdrinken.

In dat hele proces van vijf jaar heb ik hem nooit met één woord horen klagen. Hij hield zijn gevoel voor humor. In het Radboudziekenhuis in Nijmegen gold hij als een modelpatiënt. Op een dag stond de professor die hem behandelde met tien artsen in opleiding op zijn kamer. Of zij mochten toucheren. Ja, zei mijn vader, maar niet allemaal tegelijk.

Het beeld van hem dat mij het meeste bij is gebleven, is hoe hij tot op het laatst als secretaris bij de raadsvergaderingen wilde zijn om het gezegde te notuleren. Hij kon niet meer zitten van de pijn. Dus wat deed hij? Hij zette zijn stoel met de rug tegen de tafel, ging er op zijn knieën in zitten en notuleerde, schrijvend met zijn ellebogen op tafel. Ik zat op de tribune en voelde een mengeling van gêne en bewondering.

Heel zijn leven hield hij contact met een studiekameraad van Rolduc, die ergens in Midden-Limburg pastoor was. Omdat mijn moeder ook onder ernstige bedreigingen niet van huis te krijgen was voor een vakantie, ging mijn vader wel eens met zijn oud-studiemakker een paar dagen weg. Altijd naar Bonn, altijd met de trein. Vanuit Venlo waar ze moesten overstappen, schreef hij dan alvast een kaart naar huis, dat de reis voorspoedig verliep, dat ze veilig in Venlo waren aangekomen en dat we ons geen zorgen hoefden te maken.

Weer terug had hij hele verhalen. Hij vertelde ook dat ze waren gaan zwemmen in een buitenbad en dat het nogal fris was en dat de pastoor gezegd had dat hij er niet verder inging dan ‘het celibaat’.

Bonn, vader moest eens geweten hebben. Een jaar na zijn dood in 1979, werd ik daar benoemd tot buitenlands correspondent.

En mijn moeder? Honkvaster dan een huismus is ze één keer in die vijf jaar naar Bonn gekomen. En toen ze er was maakte ze al aan de voordeur veel misbaar. Ze hadden zo door kunnen rijden aan de grens. Naar de pas, die ze speciaal had laten maken - ze was zelfs nog een keer terug gegaan omdat de foto haar niet beviel - , had niemand gevraagd.

Maar ik loop vooruit.

Mijn moeder.

Ze had goed kunnen leren, kon mooi schrijven, maar nooit mogen studeren. Dat onrecht zat diep in haar. Ze was een Dolle Mina die haar dochter, mijn zus, stimuleerde op te komen voor haar rechten. Als een stil protest tegen de verhuizing naar haar Limburgse man in Nederweert, weigerde ze ook maar één woord dialect te spreken.

Haar onversneden Brabantse uitdrukkingen gaan nog door de familie. Als het thuis over iemand ging die zich niet veel gelegen liet liggen aan God en gebod, zei ze schamper:

‘Van d’n dieje z’n hakken zullen ze geen relikwieën snijen’.

Het geloof van mijn moeder was ook een heel ander dan dat van mijn vader. Hij was een brave volger van de Heer, buigend en biddend. Moeder een rebelse dochter. De parabel van de Werkers in de Wijngaard, vond zij maar een belachelijk verhaal. De eigenaar die telkens naar de markt gaat om dagloners te werven voor zijn wijngaard. Degenen die hij ’s middags laat pas haalt, krijgen later hetzelfde loon als de werkers van het eerste uur. Grof onrecht, vond moeder, en groot gelijk dat de anderen protesteerden.

De heiligheid begon bij ons thuis al aan de overkant van de straat. Daar lag een nonnenklooster. Later verdween het en kwamen er appartementen. Het complex heet: het klooster. De herinneringen blijven.

COLUMN

Mijn ouderlijk huis stond tegenover een nonnenklooster. Fanciscanessen. ’s Zomers hoorden we ze door de openstaande ramen vaak zingen. In massaal rooms gekweel kraaiden ze de pannen van het dak.

Op den duur werd het stiller. Hun godsvrucht nam niet af, wel hun aantal. Andere smeekbeden werden wellicht verhoord, maar het verzoek tot meer roepingen sloeg dood op de tijdgeest. Hun vermogen zeer oud te worden, betekende slechts uitstel van executie.

Zo ging het ook elders. Uiteindelijk werden onze nonnen, samen met die van andere uitstervende kloosters, bijeen gebracht - geconcentreerd zou een te lelijk woord zijn - in Heythuysen. Daar leefden ze nog lang, dat weet ik zeker en gelukkig, neem ik aan.

Het karakteristieke gebouw is al lang gesloopt. Het appartementencomplex dat er nu staat, heet het klooster. Verder herinnert niets meer aan de roomse rijkheid van weleer. Als ik er voorbij kom, zoeken mijn ogen altijd de plek waar vroeger de kapel en de sacristie waren. Jaren was ik er misdienaar. Ons gezin met vijf jongens was hofleverancier. Na de mis kregen we een boterham met bezwete kaas.

Pater Donulus, de zielenherder van de nonnen, wilde altijd meer wijn als ik met mijn karaf aan kwam zetten. Méér, méér stootte hij gedempt uit als ik begon te schenken. Ik had toen nog een leeftijd dat ik dit interpreteerde als een diep verlangen nog dichter bij de Heer te zijn.

Zo ging mijn jeugd in het dorp voorbij. De kerk was wel een korset dat knelde, maar niet een echt dwangbuis. We lachten met de kerkhumor van Fons Jansen en mijn vader nog het hardste. Al dat naar de kerk lopen, ja dat moest, maar je hoorde ook verhalen van vroeger toen het nog veel erger was en de rozenkrans aan de vingers was vastgegroeid.

Toen ik van de lagere school ging en op de voorbereidingsklas van het Bisschoppelijk College in Weert terecht kwam, werd het leven voor mij in een keer ruw en rauw. En ook een beetje onwerkelijk.

Ik ben daar mishandeld.

Nee, niet misbruikt, mishandeld. Ik ben geslagen, uitgescholden, gekleineerd, toegebruld.

Je had in dat hele voorbereidingsjaar maar één leraar. Voor alle vakken. Het was een leek, een kleine, dikke, opvliegende man, die elke dag ontplofte, meestal in mijn nabijheid. Een bruut. Hij had kolenschoppen van handen en de pik op mij, waarschijnlijk vanwege dat rode haar.

Ik was een rustige, wat verlegen jongen, die op school nooit enige problemen heeft gehad, maar bij hem kon ik geen goed doen. Hij stond vaak achter in de klas tegen de muur en sloop dan tussen de rijen door naar voren. Vanachteren haalde hij, zonder dat daar enige aanleiding voor was, keihard uit en sloeg mij met zijn vuist net achter mijn oor, zo hard dat ik met het hoofd tegen de lessenaar klapte. Als ik ’s middags trillend thuis kwam, stond de afdruk van zijn zegelring nog in mijn huid.

Ik zat in het hart van de orkaan en ik kon op het medeleven van de hele klas rekenen, maar daar bleef het bij. Mijn vader reageerde schouderophalend. Ik moest maar proberen de woede van het beest niet meer op te wekken. Maar hij ging niet naar het Bisschoppelijk College om te praten. Dat viel helemaal buiten zijn belevingswereld. Het Bisschoppelijk College! Al die geestelijken! Al wat daar werd gedaan, was welgedaan. En mijn moeder zei dat kleine mensen er vaak niets aan kunnen doen dat ze onuitstaanbaar zijn. ,,Die hebben alles veel te dicht bij elkaar”.

Ik voelde totale eenzaamheid. Ik ben toen zo diep in mijn schulp gekropen dat ik me later vaak heb afgevraagd of ik er ooit nog wel goed ben uitgekomen. Ik ben dit nooit kwijtgeraakt. Jaren en jaren heb ik er nauwelijks bij stilgestaan, heb ik het vaak gebagatelliseerd en er luchtige columns over geschreven, maar vooral de laatste tijd, onder invloed van al het misbruik in de kerk, komt dit weer sterk terug. Vooral in mijn slaap.

Ik voel dan zelfverwijt. Ik had de klas uit moeten lopen, mij in de deur nog een keer om moeten draaien en hard moeten roepen. ,,Ik ga naar de politie. Nu!”

We kwamen in de jaren zestig.

De kerk probeerde te vernieuwen. Tweede Vaticaans Concilie. Ze deden maar. Dahag! Het zei mij niets meer, nul. Kerk en geloof hadden afgedaan. Het hele Roomse viel van me af als de dode schors van een boom.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Engagement met de kerk was er niet meer, wél met de wereld. We liepen te hoop tegen de oorlog in Vietnam, de apartheid in Zuid-Afrika, de onderdrukking in Zuid-Amerika.

Ik ging studeren op de School voor de Journalistiek in Utrecht. Een chaotische opleiding, helemaal in de stijl van de jaren zestig. Iedereen was de baas. De school werd bestuurd door leraren, leerlingen, de dames van de administratie en de portier. Ergens in de zaal zat ook de directeur sip te kijken.

Na de studie, nou ja studie, ging ik werken bij een kleine krant in Midden-Limburg, de Maas- en Roerbode in Roermond.

Ik had de kerk verlaten, maar de kerk mij niet. De kerk was nieuws en bleef nieuws. In 1972 werd Jo Gijsen tot bisschop van Roermond benoemd. Cameraploegen van de Duitse televisie stonden op de redactie aan de Christoffelstraat. De paus had de voordracht van het kapittel in de wind geslagen en de uiterst conservatieve rector van het zusterklooster in Nunhem op de preekstoel van de kathedraal geplaatst.

Raar genoeg, zeker als je er achteraf naar kijkt, was het voor mijn vrouw en mij toen geen punt om onze kinderen te laten dopen. Dat deden we gewoon. Je wilde niet uit de pas lopen, niet openlijk deserteren. Geen onenigheid met je familie. Niet dat ze zwaar geprotesteerd zouden hebben, maar het had ze zeker pijn gedaan. Ze zouden het hebben ervaren als een tekortschieten van henzelf en dat wilde je ze niet aandoen.

Maar wel moest alle roomse overdaad weg. Alle heilige franje werd weggesneden. Roomse doopnamen? Alleen maar lastig bij het invullen van formulieren. Ballast. Weg er mee. Koen was Koen en verder niks. Maartje was Maartje, Pieter was Pieter. Zij hoefden geen heiligen mee te zeulen.

Toen begon een nieuw hoofdstuk.

Mijn buitenlandtijd. Ik ging werken voor een club van regionale dagbladen. Ik werd correspondent in Bonn.

Bonn, dat was niet alleen de bondsrepubliek, maar ook de DDR en Zwitserland en Oostenrijk. Die kreeg je er gratis bij. In Duitsland moest ik belasting betalen, uiteraard. Ik ging naar een belastingadviseur, ik ben zijn naam nooit vergeten, Herr Schichterich. En toen kwam die vraag: ‘Herr Kessels sind Sie katholisch oder evangelisch?’ Want als je in Duitsland een erkend geloof aanhangt en lid bent van een kerkgenootschap, moet je kerkbelasting betalen.

Ik twijfelde even.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Door ‘nee’ te antwoorden kon ik duizenden marken verdienen. Bovendien: ik was een buitenlands correspondent, een passant, ik was hier maar een beperkte tijd. En aan het geloof deed ik al jaren niets meer.

Maar toch. Ik dacht, je bent geen knip voor je neus waard als je puur vanwege het geld, puur vanwege de mammon, je hele verleden ontkent en je achtergrond verloochent.

Ik voelde op dat moment ook heel sterk dat ik in een traditie van eeuwen stond. Mijn vader en moeder, hun vader en moeder.

Moest ik dan hier in het kantoor van belastingadviseur Herr Schichterich in Bonn uitspreken dat ik niet, niet meer katholiek was?

Moest ik: Gerardus, Petrus, Martinus, Josephus, met ph, Kessels dan hier verklaren dat ik een ongelovige was, een heiden? Moest ik de draad van eeuwenlang katholicisme doorknippen?

Nee, dus.

Ik antwoordde: ‘Ja, Ich bin katholisch’.

Toen ik later buiten stond, voelde het als een hernieuwing van de doopbeloften. Ten opzichte van Herr Schichterich had ik plechtig uitgesproken dat ik katholiek was.

Religieus zat ik er niet meer zo goed in, maar fiscaal nu wel.

Het was een kantelpunt. Vanaf nu geen aarzeling meer: ik was katholiek, weer katholiek, zij het alleen op papier en nog steeds een heel sceptische, eigenlijk een ongelovige. En net als in Roermond met Gijsen, kwam de kerk weer naar mij toe. Maar op een heel andere manier.

Ik werd door mijn krantenclub gevraagd correspondent in Rome te worden. Voor de Italiaanse staat, maar vooral ook voor het Vaticaan. Voor mij als gymnasiast en man van talen, ook van klassieke talen, was dat een droom. Rome, hier was het allemaal begonnen, hier struikelde je over de wortels van onze beschaving.

Rome is een stille liefde van veel mensen. Bondskanselier Helmut Kohl, op bezoek in Rome, verzuchtte op een lauwe Romeinse avond ooit tegen mijn Duitse collega’s:

‘Ah, korrespondent in Rom müsste man sein’.

Was ik in Bonn nooit in een kerk geweest, in Rome was dat niet te vermijden. Daar staat op elke hoek een kerk, zit achter elke steen een heilige. Een vriend van mij die veel in Rome komt, zegt altijd dat hij nergens zoveel moeite heeft met het geloof als daar. Al die pomp, al die praal, al dat goud en zilver. Ook mijn schoonvader, een zeer katholiek man, werd stil en klein in de Sint Pieter. Dít kon toch niet de bedoeling zijn, al dat marmer, die glitter, al dat geschitter? Was dit het geloof van de arme timmermanszoon Jezus van Nazareth?

Hij wilde weg, naar buiten, naar de kaalheid en rauwheid van het Colosseum. Liever het ongepolijste pretpark van Nero, het bloed aan de paal van de heidense keizers, dan de weelde en het goud van de purperdragers die vanaf de kansel de armoede en de eenvoud preken.

Rome is voor de ware gelovige, voor de eenvoudige van geest een shock. Een moker. Weinig van wat hier gebeurt lijkt met het geloof te maken te hebben. Dit is de imponeerkerk. De kerk als machtsinstituut. De kerk van Gijsen, de kerk van kardinaal Eijk, de kerk die beslist, bepaalt. Hoe zeggen ze dat ook weer: Roma locuta, causa finita est. Rome heeft gesproken, de zaak is afgedaan.

Ik was er in de jaren van Johannes Paulus de Tweede, de Pool Karol Wojtyla, de onvermoeibare reispaus. De paus van het bekende grapje: God is overal, de paus is overal al geweest. Ik was een paar keer met hem onderweg. In Duitsland en Oostenrijk. Je reisde dan als journalist met de pers mee met de pauselijke entourage.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Als journalist verzamel je in de loop van een lange carrière schoenendozen vol badges. Allemaal ijdelheid: kijk eens waar ik overal geweest ben. De meeste gooide ik direct weer weg. Maar die met de tekst ‘Papstflugzeug’, heb ik altijd bewaard.

Je zat met de paus in het vliegtuig. In de lucht maakte de paus dan een ronde, hij liep door het gangpad en praatte met de journalisten. Ik heb altijd wat spijt gehad dat ik een collega niet vroeg een foto te maken van mij en de paus. Was toch een mooie herinnering geweest.

De paus maakte geen erg warme indruk, leek niet echt geïnteresseerd. Hij had cocktailogen, zoals mensen op een receptie hebben. Hij keek al over je schouder wie er achter je stond, bij wie hij dadelijk kwam.

Waarschijnlijk doe ik deze toch grote paus hiermee te kort.

Misschien was in die ogen ook nog wel iets zichtbaar van de horror van het bezoek dat hij in mei 1985 aan Nederland bracht.

Dat was wat.

Volgens een onderzoek van Elsevier indertijd was de paus maar voor drie procent van de Nederlanders welkom. Drie! Zijn ontvangst was met het woord kil nog te warm uitgedrukt. Het was lomp, onbeschoft, plat. Henk Spaan en Harry Vermegen maakten een persiflage van de paus. Popie Jopie werd een begrip. Schrijver Gerard Reve werd er ziek van. Hij hapte naar adem en schreef: ,,Na de verschrikking van de Jodenvervolgingen had ik nog niets vergelijkbaars aanschouwd”.

Voor mij bereikte Johannes Paulus zijn echte grootheid pas op het laatste van zijn leven. Toen hij ziek, moe en krom was. Ik zag hem toen op het Sint Pietersplein bij de heiligverklaring van de Limburgse pater Arnold Janssen.

 

COLUMN

Ik probeer deze zondagmorgen op het Sint Pietersplein een glimp van Johannes Paulus op te vangen als hij de Limburgse pater Arnold Janssen, samen met twee andere priesters heilig verklaart. Hij zit. Harde bidbanken hebben zijn knieën verwoest. Parkinson jaagt rillingen door zijn lijf. Als je nu dat hoopje paus daar tijdens de urenlange ceremonie zo ziet, voel je iets van gêne. Een man die nog wil werken, maar het niet meer kan. Het ergste is niet dat kromgetrokken lichaam, het ergste is die stem. Articuleren gaat niet meer. Elk woord is een verre mompel van zijn oorspronkelijke klank. De mond doet niet meer wat de hersenen willen. Dat moet hem nog het meeste pijn doen. Want deze paus leeft van praten, communiceren, preken, bezweren, overtuigen. Als Christus het vleesgeworden woord van God is, dan is Karol Wojtyla sterke tweede.

Toch, als je hem een tijdlang zo ziet worstelen, wijkt het gevoel van deernis. Je voelt iets van bewondering. Bij voorbeeld als hij resoluut en zo te zien met vaste hand de kelk omhoog steekt, recht omhoog. Fier, alsof hij zeggen wil: ik ben er nog, ik blijf op mijn post, tot de laatste snik. Ja, tot zijn laatste adem houdt Johannes Paulus dat stille fanatisme, dat zo kenmerkend is voor zijn pausschap. Dit is een vechtpaus. Een knokker die van het ingeslapen Vaticaan een expanderend bedrijf maakte , een werkende, zwoegende kerk. In totaal benoemde hij 232 kardinalen. In de 25 jaar van zijn pontificaat heeft hij 476 geloofsgenoten heilig verklaard. Zijn negen voorgangers kwamen slechts tot 69. En hij trotseerde hitte en kou in 130 landen.

Intussen komt de grofste reactie op het lijden van deze grote man uit Nederland. ,,Als het een huisdier was, zou je hem afmaken”, zei RTL-televisie-maker Henk van Dorp.

Massaal protest? Een landelijk debat? Van Dorp van het scherm? Niks van dat alles. Mensen die hun ongenoegen naar RTL mailden, kregen niet eens antwoord. In botheid en lompheid is dit land niet te overtreffen.’


In Rome werd ik geraakt door mensen die gewoon kunnen geloven, ohne wenn und aber. Nietige, zwarte vrouwen in zo’n kolossale kerk bij wie de rozenkrans door de vingers gleed. Rotsen van geloof. Waar dachten ze aan? Geloof is overgave. Je maakt jezelf heel klein tegenover de grote waarheid. Ik kon dat niet en ik kan dat niet.

Ik beredeneerde mijn gevoelens.

Waarom geloven mensen? Het is iets totaal irrationeels. Heette het niet op Aswoensdag als wij een askruisje gingen halen: ‘Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren’? Als kind liep je de kerk uit met de as van dood en verdoemenis op je voorhoofd. De mens is een lopende zak biologisch gruis, meer niet.

Geloof. Is dat iets anders dan het ontkennen van de sterfelijkheid? Waarom geloven miljarden mensen in iets na de dood? Komt het niet omdat voor de geest de dood iets onvoorstelbaars, iets volkomen onacceptabel is?

Want hoe rot, hoe ellendig wij ons ook voelen, wij kunnen altijd denken over iets daarna. De geest kan geen eindigheid aanvaarden, hij kent geen grenzen, geen beperkingen, hij is een duif die vrij door de kosmos vliegt en verder. Er móet toch iets zijn? Ook straks als dat armzalige lichaam weer deel is geworden van de eeuwige kringloop van de natuur?

Iets ja. Ik geloof dat het oud-minister Plasterk was die voor het eerst sprak over ‘ietsisme’.

Over dat soort dingen kan ik nadenken als ik achter in een kerk zit. Die gewoonte heb ik me in Rome eigen gemaakt. Ik liep daar vaak een willekeurige kerk in. Liefst zo een waar geen toerist komt. Die zijn er volop. Ik ging ergens achteraan zitten. Soms was er net een dienst. Daar zat ik dan maar wat voor me uit de kijken.

Zitten, kijken, peinzen, ontspannen. Een beetje reli-lummelen.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

En als het hoofd dan leeg was, begon het vanzelf weer langzaam vol te lopen. Met willekeurige brokjes uit verleden en heden. Het grote en het kleine uit het leven. Al wat net onder de oppervlakte zit, piept naar boven.

Gesticht trad ik weer in het felle licht van de Romeinse zon. Ik ben nooit een groot weldoener geweest, maar de bedelaars die voor de kerk lagen waar ik in ging, kregen meestal iets als ik naar buiten kwam. Zij riepen mij nog een zegening achterna. Een mens moet soms, al is het voor even, het gevoel hebben dat hij goed is.

Even verpozen in een kerk, ik ben het ook na Rome altijd blijven doen. In Maastricht ga ik meestal naar de basiliek van Slevrouwe, Onze Lieve Vrouw. Ik gedij in het middeleeuwse, romaanse duister en luister naar het gefluister van de eeuwen. Hier dompel ik mezelf onder in mijn eigen refugium, met mijn eigen mindfulness.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

En voordat ik naar buiten ga, brand ik een kaarsje. Ik neem altijd een kleine van veertig cent. De grote van tachtig zijn meer voor de echte gelovigen.

Rome, wij waren er nauwelijks vier jaar. Daarna werd ik weer opgeslokt door het vaderland. Heeft het verblijf daar mij veranderd? Ja en nee.

Nee, omdat mijn scepsis altijd is gebleven, omdat ik niet echt kan geloven.

Ja, omdat ik sterk het gevoel had als ik door de eeuwige stad liep, als ik opging in de lichten en luchten van mijn verre verleden: hier hoort deze oude gymnasiast thuis. Niet alleen cultureel, maar ook spiritueel. Hier zit iets, hier leeft iets, dat ook heel sterk in mij zit.

Ik voel me cultuurkatholiek. Mooi, maar wat gelóóft een cultuurkatholiek dan?

Niet veel. Ik geloof dat een mens het moet goede doen en het slechte laten.

Dat is de kern. En wat is dat dan: het goede doen en het slechte laten?

Dat moet iedereen zelf maar invullen. Ik denk: proberen een goed mens te zijn, voor vrouw, kinderen, voor je omgeving, dat je moet proberen een bijdrage te leveren aan het welzijn, aan een betere wereld.

Ik denk dat alleen de cultuurkatholiek nog toekomst heeft. Dat van het geloof der vaderen alleen de diepste kern overblijft: het goede doen, het slechte laten.

Want de kerk, het instituut, is op sterven na dood. Geen priesters meer, lege kerken, de hele organisatie tot schande gemaakt door de niet aflatende stroom misbruikschandalen.

Toen al die ellende van het misbruik de afgelopen maanden naar buiten kwam, stond ik op het punt dit hele verhaal te deleten. De heilige Gerardus was een goed mens, een keurige heilige, maar de kerk heeft er een zootje van gemaakt. Ik wist niet meer wat ik over de kerk moest zeggen.

Toen kwam daar nog overheen dat ongeveer de helft van de Nederlandse bisschoppen en hulpbisschoppen zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik of het heeft toegedekt door misdadige priesters over te plaatsen naar andere parochies, waar zij opnieuw te keer konden gaan in de nietsvermoedende kudde.

Misbruik, geweld, het zat overal. Een goede kennis van mij, een kleine man, werd als misdienaar in het dorp door een brute pastoor, aan zijn oren omhoog getrokken. Herhaalde malen, buitengewoon pijnlijk. Naar die pastoor is een straat genoemd. ,,In die straat zou ik niet kunnen leven”, zegt mijn kennis.

Daar zouden we in Limburg mee kunnen beginnen. Met het verwijderen van alle straatnaamborden van foute priesters. Niet om postuum nog een bijltjesdag te organiseren. Maar als een zichtbaar teken dat het de kerk menens is.

Want geloof moet voorgeleefd worden. Niet de leer is belangrijk, maar de uitstraling van mensen die laten zien hoe het moet.

Zíjn er nog mensen tegen wie wij op kunnen kijken, voorgangers in het goede? Wonen er nog heiligen in de straat?

We hoopten op paus Franciscus. En nog.

Het eerste wat hij deed was de Middellandse Zee op gaan. Hij wierp daar een krans in zee voor al die arme donders van bootvluchtelingen. En hij liet douches bouwen bij het Vaticaan voor de zwervers en daklozen van Rome. Zelf weigert hij in de luxueuze pauselijke vertrekken in het Vaticaan te gaan wonen, onder de fresco’s van Rafaël. Hij zit tussen de gewone priesters in een gastenverblijf. Deze paus beseft dat het geloof voorgeleefd moet worden, dat je het moet laten zien. Zelf, elke dag.

Heel mooi, heel goed, maar alles bepalend zal zijn hoe deze paus met het misbruikschandaal omgaat. Zijn tijd is al bijna op, zijn krediet verwaait onder de pijnbomen van de Vaticaanse tuinen.

De kerk is terug bij af. Het bouwwerk moet opnieuw vanaf de grond worden opgetrokken. Vanuit het nulpunt.

Want alles is weg. Waar staan wij nog voor? Hebben wij nog iets waar we voor willen knokken? Wij zijn lauw en slap. De christenen in het Midden-Oosten laten ons koud. De Kopten in Egypten worden vermoord, hun kerken verbrand. Wij hebben geen principes meer en geen solidariteit. Tegen de strijdbaarheid van een Islam zijn wij machteloos, zijn wij kansloos, ons geloof is dunne soep.

We hebben opnieuw voorbeelden nodig.

Zíjn er nog priesters, die voorgangers zijn in het goede?

Ja.

Ik heb er een paar gezien.

Neem, de geestelijken die heel hun leven in Afrika gewerkt hebben. Ook daar zullen rotte appels tussen gezeten hebben, maar ik zie wat ik zie. Ze zijn hier nu terug en op een leeftijd dat anderen een paar tandjes lager schakelen, storten ze zich volop in de zielzorg. Een van die geestelijken doet in zijn eentje drie parochies in het Zuid-Limburgse Heuvelland. De kerkdiensten, de ceremonies van rouw en trouw, de steun aan de zieken, bij de mensen thuis of in het ziekenhuis. Praten met mensen die klem zitten, overal zijn waar je nodig bent, zonder de uren te tellen. Ga er maar aanstaan na al die Tropenjaren.

Een van die geestelijken werd door een lokaal televisiestation gevraagd wat hem inspireerde, hoe hij dit volhield, wat hem dreef en hij antwoordde dat hij altijd behulpzaam had willen zijn, had willen steunen, iets had willen doen voor de gemeenschap, voor iedereen.

Dáárom was hij priester geworden, om dienstbaar te zijn, maar het had ook een ander beroep kunnen zijn.

Het was of ik mijn vader zag.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek

Deze mannetjesputters van de Heer zijn voorbeelden van nu. Maar kijk ook terug. Neem pater Peerke Donders. Deze Redemptorist kwam in de negentiende eeuw op voor de zieken en de armen in de jungle van Suriname. Werkte tussen de leprapatiënten.

De onbaatzuchtigheid van Donders, het volkomen wegcijferen van jezelf, spreekt nog altijd aan. Wat heet: steeds meer. Hij is razend populair in zijn geboorteplaats Tilburg.

Onlangs was er een meditatieve wandeling over het Peerkepad tussen Tilburg en het Redemptoristenklooster in Wittem. Dat waren 160 kilometer in zeven dagen. Elke dag werd stilgestaan bij een van de zeven Werken van Barmhartigheid die vaak worden geassocieerd met Peerke.

,,Gerardus Majella en Peerke Donders kwamen beiden uit een arm gezin, beiden moesten knokken om hun droom waar te maken en wijdden hun leven aan mensen in nood. In die zin zijn zij een voorbeeld voor ons, “ zei de Wittemer pater Henk Erinkveld in De Limburger.

Is dat een oplossing? Een nieuwe weg? Wandelen, praten, discussiëren, stil zijn en mediteren. Nieuwe hagenpreken? Lopend stilstaan bij de grote voorbeelden?

Kan dát het begin zijn van een nieuw geloof? Kunnen wij in deze voorbeelden iets terug vinden van het rotsvaste geloof van onze vaderen? Zij laten zien dat we dienstbaar moeten zijn. En dat we in het leven het goede moeten doen en het slechte laten.

En voor ná dit leven moeten we nergens op rekenen.

Als er dan toch nog ergens een God is, misschien wel die van ons, die ons ergens een mooi plekje bezorgt daarboven, in een eeuwigheidsbestendige woning, dan is dat mooi meegenomen.

Columnist Gerard Kessels spreekt: van misdienaar tot cultuurkatholiek