'Elke stad is het mooist op zondagochtend'

Print
'Elke stad is het mooist op zondagochtend'

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

Toen ik nog in het centrum van Utrecht woonde, vroegen Limburgers of ik geen heimwee had naar Limburg, en vroegen Amsterdammers of ik 'nog' in Utrecht woonde.

Zo zagen (en zien) zij Utrecht: in de goede trein vanuit Limburg, maar een half uur te vroeg uitgestapt. Ik vond het een hooghartige belediging en snauwde iets over liever de Dom dan de Dam. En verhuisde uiteindelijk alsnog naar Amsterdam.

Als inwoner van Utrecht mocht ik destijds een keer bij verkiezingen een extra stem uitbrengen in een referendum. De vraag was of op zondag de winkels dicht moesten blijven, of elke week open mochten. Het overgrote deel van de inwoners stemde tegen een wekelijkse koopzondag. Dus kwam er een maandelijkse koopzondag, en een paar jaar later alsnog een wekelijkse.

Opeens werd toen zondagochtend een bijzonder moment in de week. Als ik de stad wilde ervaren op zijn mooist - verlaten, uitnodigend, ongerept - dan liep of rende ik er doorheen op zondagochtend. Om 12 uur veranderde het beeld, om 13 uur was de stad van iedereen, en om 14 uur definitief niet meer van mij, maar van de plastic tassen.

Ik heb het nog steeds: ik vind iedere stad het mooist op zondagochtend. Zelfs de drukste steden ter wereld voelen dan nog als een belofte, al is die al lang ingelost, of verbroken. Sommige steden houden het zondagochtendgevoel vast op zondagmiddag.

Amsterdam niet.

Als ik mensen vertel dat ik midden in Amsterdam woon, is de eerste reactie: “Word je niet gek van de drukte?” Nee, hoor. Alleen soms aan het begin van de zondagmiddag, als de ochtend me te bruusk wordt ontnomen door de middag.

En ik het had op eerste kerstdag. Zelfs in Amsterdam is dan het grootste deel van de winkels gesloten, maar raar genoeg was het in de binnenstad toch bijna even druk als op een gewone doordeweekse dag. Toeristen en dagjesmensen slenterden door de winkelstraten en keken in etalages van gesloten winkels. Het was een raar beeld: ze shopten eigenlijk, maar dan zonder te shoppen.

Een dag later waren de winkels allemaal weer open. Ik liep over de Nieuwendijk, ik denk wel de meest deprimerende straat van Amsterdam. Als ik moest kiezen tussen de rest van mijn leven rondjes lopen door het Outletcentrum in Roermond of over de Nieuwendijk, ging ik naar Roermond – zó erg is de Nieuwendijk.

Geleen, Sittard, Heerlen, Venlo: ze kampen allemaal met leegstand in de binnensteden. Op de Nieuwendijk ligt geen enkel pand leeg, maar hier blijkt er iets nog ergers dan fysieke leegstand: gééstelijke leegstand. Hier zijn de panden gevuld met winkels die alleen maar oranje sloffen met molens erop verkopen, of oranje mutsen met ‘Amsterdam’ erop, of cannabis roomijs, of sleutelhangers met een wietblad, of de Amsterdammertjes in de vorm van een lul, of suikerwafels met daarop een kwak Nutella en daarbovenop een Snickers nog in de verpakking. Niets in deze hele straat straalt énige bezieling uit, niemand hier lijkt trots op wat hij verkoopt – en waarom zou hij ook. Maar midden in die hel van neon en kleding met glow in the dark-opdrukken, ligt een bakkertje, het lekkerste van de stad, waar ze hun Franse biologische bloem nauwelijks kneden en 28 uur laten rijzen voor de beste smaak. Een tempel van ambachtsliefde in een poel van liefdeloosheid. Ik loop er altijd een beetje verliefd weer naar buiten. Zo ook afgelopen week.

Ik lette niet op en liep bijna tegen een dakloze man op, die net uit de Febo kwam en een hap van zijn kroket nam. Hij zag me lachen en stak zijn kroket enthousiast de lucht in. “Ook een happie?” Deze dag kon niet meer kapot, zelfs niet op de Nieuwendijk.