‘Het was het tegenovergestelde van staren, maar ik had dat dan toch liever’

Print
‘Het was het tegenovergestelde van staren, maar ik had dat dan toch liever’

COLUMN - Mijn kickboksschool bestaat sinds half december niet meer. Mijn trainer heeft zijn lessen verhuisd naar een paar honderd meter verderop gelegen sporthal.

Feitelijk is het een vooruitgang: het water van de douches is meteen warm in plaats van pas na een paar rillende minuten, het toilet heeft niet die in de tegels getrokken pislucht van een jongensstudentenhuis, en in de spiegels zitten nog geen barsten van mensen die te laat afremden bij het sprinten.

Maar in sport gaat het niet alleen om de feiten, ook om de romantiek. In romantisch opzicht was dit even wennen. We trainen nu in een klein zaaltje van een keurige hal, met allemaal leefregels en afspraken op prikborden. Bij de ingang hangt een bordje waarop staat dat dit een ‘vreedzame wijk’ is, meestal eerder een voornemen dan een constatering.

Na een van de eerste lessen hoorde ik twee jongens met elkaar de nieuwe werkelijkheid bespreken. „Het is alsof we hier te gast zijn man, in plaats van thuis.” De ander beaamde dat. „Het is onwennig, ik weet niet waarom. Alles is gewoon net even anders. Het klinkt raar, maar het doet me een beetje denken aan…” Precies tegelijk zeiden ze: „Vreemdgaan!” Toen werd er gelukkig net zo hard gelachen als in onze oude school.

In de grote zaal van de sportschool hebben kinderen tijdens onze trainingen soms gymles. Het is me niet altijd helemaal duidelijk wat ze precies doen, maar het lijkt op apenkooi. De eerste keer dat ik dat zag was ik jaloers: ik vond apenkooi op school de leukste gymles, maar heb het daarna nooit meer gedaan. Waarom bestaan er geen apenkooiverenigingen voor volwassenen? Die bestaan wel degelijk, zei een meisje op het eind van onze training, toen ik dat verzuchtte. Ik nam me voor daar meteen op internet naar op zoek te gaan, maar heb het nog steeds niet gedaan. Ik denk dat ik toch bang ben voor wat ik aantref. Misschien moet je terugverlangen naar je kindertijd bij voorkeur in stilte doen, en al zeker niet in groepsverband.

Na onze training van woensdag douchte ik, en daarna kleedde ik me aan. Ik was bij mijn boxershorts, toen de deur van de kleedkamer werd opengegooid, zo hard dat hij via de muur terug stuiterde. Bijna dertig jongetjes renden de kleedkamer binnen. Ik had ze niet verwacht. Dat was wederzijds, zag ik meteen.

Mijn benen zijn vrijwel volledig vol getatoeëerd. Het is 2019, ik dacht dat iedereen gewend was aan tattoos, en minstens iemand kent die ze ook heeft. Niet in deze vreedzame wijk, zoveel werd me duidelijk. Het cliché wil dat kinderen en dronken mensen hun eerlijkheid met elkaar gemeen hebben. Dat zal best, maar ook hun gebrek aan gêne. Sommige jongetjes smoesden iets achter hun hand tegen elkaar, een paar vervolgden hun zo te horen hoog opgelopen debat over de komende Playstation 5, maar de anderen bleven kijken, en een blond jongetje met een blauwe bril bleef me aanstaren, zwijgend, met zijn blik van mijn benen naar mijn hoofd, en weer terug.

Een dag later hadden ze alweer gymles na mijn training, en stormden ze opnieuw de kleedkamer in toen ik me stond aan te kleden. Tot mijn geruststelling bleek ik alweer oud nieuws. De jongen met wie ik net had getraind kwam een minuut later naakt uit de douche lopen, en keek net zo verbaasd naar zijn kleedkamergenoten als ik een dag eerder, en als zij nu naar hem.

Een Marokkaans jongetje draaide zijn hoofd weg en hield voor de zekerheid zijn hand er ook nog voor. Hij zei: „Ik wil dit niet zien.” Het was het tegenovergestelde van staren. Al had ik dat volgens mij dan toch liever.