‘Als er een revolutie uitbreekt, verwacht ik niet dat die in Maastricht begint’

Print
‘Als er een revolutie uitbreekt, verwacht ik niet dat die in Maastricht begint’

Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Bij de Geusselt, bij het station, op alle wegen naar Plein 1992: overal stond politie. Ik was vorige week zaterdag in Maastricht, en er hing iets in de lucht, al wist ik niet wat.

Als er ooit een revolutie uitbreekt, verwacht ik nou niet dat die in Maastricht begint.

Ik keek uit het raam van mijn koffietentje, en toen zag ik de reden van alle verscherpte veiligheidsmaatregelen. Het gevaar voor de openbare orde zat in een rode Opel Astra die een knalgele caravan meetrok. Gele hesjes!

Ze moesten hier keren, de gele hesjes in de auto, en dat viel ze niet mee. Eén geel hesje kwam uit de auto en gaf aanwijzingen. Hij droeg ook lange fluorescent gele sokken, een gele gebreide trui, en hij had een piratenhoed op. Ik zou een lange lijst kunnen maken van alles dat hij uitstraalde, maar ‘dreiging’ zou daar niet op staan. Er is ooit een voorstel geweest om de gele hesjes te betrekken bij het landsbestuur. Op basis van vijf minuten kijken naar deze gele hesjes die probeerden te keren zou mijn aanvullend voorstel zijn: maar niet bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De gele hesjes verzamelden voor Centre Céramique, zag ik. Ik liep erheen. Er waren Dixie-toiletten en er was een mobiel koffietentje. Als ergens Dixies staan, beschouw ik het als een officieel evenement. De eerste spreker nam het woord. Dit leek me de organisator. Hij was in de aanloop naar dit evenement opgepakt door de politie, vertelde hij (boe-geroep) en was uiteindelijk weer vrijgelaten (applaus). In de tussentijd had hij veel steun gekregen van de gele hesjes, in de vorm van voedsel tot kaartjes en brieven. Hij had het over de ‘gele hesjes-familie’, en werd toen zelfs een beetje emotioneel.

Hij kondigde de volgende spreker aan, die een tamelijk genuanceerd verhaal vertelde over het belang om ons milieu te redden. Hij kreeg een beleefd applaus, maar veel mensen waren hier, in de koude regen, vooral bezig met warm blijven, en met elkaar. Veel van deze mensen leken elkaar te kennen. Daarna kwam opnieuw een spreker, een Brabander. Hij had zich grondig verdiept in de twee ijzeren wetten van de demonstratie-toespraak: iedere zin moet een eis zijn, en die dient te eindigen met een uitroepteken of vijf. Hij zei dat we in een dictatuur leven. Ik keek om me heen tijdens deze opmerking, uitgesproken tijdens een even vrije als legale demonstratie.

Wat ik om heen zag, was een bonte mix. Ik zag mensen die ik onmiddellijk tot de harde kern van voetbalsupporters zou scharen, naast demonstranten die leken op de bewoners van het tentenkamp van Occupy dat een paar jaar geleden op een paar honderd meter van mijn huis stond opgebouwd op het Beursplein, tussen een dwarsdoorsnede van zeker niet de volledige bevolking, maar wel van de gemiddelde volksbuurt. Bordjes tegen het NOS-journaal, tegen Rutte, tegen vaccinaties. De man voor me had de hele achterkant van zijn hesje volgeschreven met een zwarte stift. Hij was, zo viel te lezen, tegen de Btw-verhoging, voor vrede en voor een ‘totale reset van het systeem’.

Ik heb vaak gedemonstreerd in mijn leven. Altijd was volstrekt helder waarvoor, of vaker: waartegen. Al die demonstraties lieten zich samenvatten in één spandoek. Deze demonstratie niet. En toch hadden deze mensen iets met elkaar gemeen, zo leek het. Een afkeer van instituten, welke dan ook. En een behoefte aan iets anders, iets veiligs. Ik kon niet benoemen wat dan exact. Maar ik denk niet dat de eerste spreker toevállig emotioneel werd toen hij het over een familiegevoel had.