‘Welke storm er ook voorbij raast, niets is opgewassen tegen hun liefde’

Print
‘Welke storm er ook voorbij raast, niets is opgewassen tegen hun liefde’

Afbeelding: Peter Schols

BLOG - Wij gingen vroeger nooit op vakantie. Dat is niet zielig, maar prima als je ouders een boerderij hebben. Zes weken vakantie betekende zes weken voetballen, hutten bouwen en het plattelandsuniform (blauwe overall en donkergroene Dunlop-laarsjes) zodanig bevuilen dat de wasmachine nooit verlof had. En moeders ook niet.

Eén dag in de vakantie werd het boerentenue verwisseld voor wat degelijkers. Het was de dag dat we naar Bobbejaanland gingen; het hoogtepunt van de vakantie.

Terwijl zus, broertje en ik gewassen en gestreken op de achterbank van de blauwe BMW 3-serie zaten (stel je er niet te veel van voor, we waren blij dat het ding België bereikte), voltrok zich voor ons een bekend tafereel. Vaders in zijn spijkerjas achter het stuur en moeders nog binnen. Vijf minuten later exact hetzelfde, maar dan met een brompot in het voorste deel van de auto . „Jullie moeder is ook nooit klaar”, begon het. We zeiden niets. Al kon dat ook komen door de bosvruchtrode Cadillacs die we in onze mond stopten. „Ze moet zeker weer plassen.” Overdreven zuchtend haalde mijn vader het pakje shag uit zijn borstzak. Hij dempte zijn ergernis door een sjekkie te draaien. En nog eentje. Deze bewaarde hij voor latere consumptie. „Het is ook altijd hetzelfde liedje. We hoeven straks niet meer te gaan hoor”, zei hij op ferme toon. En dat twee keer. Onder luid gekerm, gekreun en getoeter (het grootste privilege van hen die buiten wonen), maakten we geruisloos een woordzoeker en lazen we de Tina. En mijn broertje? Die zoog de duim van zijn hand.

Tien minuten later (twintig minuten volgens de brompot) werd er een riempjestas de auto ingeduwd; een tas tot de nok toe gevuld met Fruittella, blikjes kindercola en witte puntjes met boterhammenworst. Daarna stapte ook mijn moeder in. Ze moest nog even plassen.

Pas op de provinciale weg kwam er wat geluid uit het voorste segment. „Heb je gesloten?”, vroeg mijn vader. Omdat een antwoord uitbleef, keerde mijn vader de wagen in één ruk om. Terwijl wij drieën tegen het raam werden gedrukt (gordels waren destijds overbodig), schold mijn vader zich onnozel (niet met geslachtsdelen hoor). We reden terug, moeders kwam tot de ontdekking dat ze wél gesloten had, en we begonnen opnieuw aan de tocht. Zonder Cadillacs, want die waren op.

Dat Bobbejaanland een cowboy als mascotte heeft, heb ik nooit geweten. Ook weet ik niet meer welke attracties ze daar hebben. Wat ik me wel nog levendig herinner, was het gekibbel van mijn ouders voor vertrek. Het was altijd hetzelfde liedje, maar wel een lied waarvan ik de schoonheid in ging zien. Want na die stress voor vertrek en de ettelijke minuten waarin niemand wat zei, zocht de hand van pa toch weer een weg naar die van ma. Of glimlachte mijn vader omdat mijn moeder zachtjes iets in zijn oor fluisterde. (Een uur later was het weer hommeles omdat ma vlees op de broodjes had gedaan terwijl het buiten loeiheet was, maar dat terzijde.)

Mijn ouders hebben me de liefde geleerd. Noem het naïef, maar mijn zus, broer en ik wisten al snel dat welke storm er ook voorbij zou razen, niets was opgewassen tegen hun liefde. Wat zij hadden was vanzelfsprekend. En dat is het nog steeds. Dit jaar zijn ze 35 jaar getrouwd. Vakantie zit er niet in, maar een kibbelend weekendje weg wel. Ik verheug me nu al op de autorit.