‘Roken is uit, maar niet bij corpsleden’

Print
‘Roken is uit, maar niet bij corpsleden’

Afbeelding: Stefan Koopmans

COLUMN - „We gaan nu een nummer doen dat jullie allemaal kennen.” De zanger met de akoestische gitaar zette het nummer in over de nacht die je normaal alleen in films ziet.

Daarna zei hij: „Ik ga nu een gevoelig liedje zingen. Het is van Michael Jackson. Het zou tof zijn als het nu even stil kan zijn.” Dat was vast tof geweest. Maar het zat er niet in, niet nu, niet hier. Ik stond in een theater in het Amsterdams havengebied. Deze jongen met zijn gitaar was vanavond de pauze-act van een groot gala voor studenten. Specifieker: een kickboksgala, voor corpsleden.

Drie maanden lang hadden die corpsleden op mijn sportschool hiervoor getraind. Ze trainden hard: sommigen waren er iedere dag. De zestien beste waren geselecteerd om vanavond tegen elkaar de ring in te gaan. Die stond in het midden. Eromheen stonden plastic stoelen rond plastic tafels met grote emmers vol flesjes Heineken en Corona. De VIP-tafels. Daarachter stonden hekken, en achter die hekken stond het meest atypische publiek dat ik ooit in mijn leven op een vechtsportgala heb gezien: jongens met halflang gelhaar in witte bloesjes met jasjes eroverheen, en meisjes die er zonder uitzondering uitzagen alsof ze alleen het woord ‘gala’ op de uitnodiging hadden gelezen.

Elke student in de ring vertegenwoordigde een dispuut. Als de naam van de student werd omgeroepen, klonk er applaus. Klonk vervolgens de naam van het dispuut, dan zwol een keihard gebrul aan, met een zware oe-klank, een geluid dat ik alleen ken uit films als 300 en Braveheart, meteen na de speech. En vervolgens zongen ze hun clublied, zoals ook voetbalmannen zingen: hossend en vingerwijzend tegelijk. Sommige vechters leken vanavond verbaasd over hun eigen kracht. Anderen stonden binnen tien seconden in de hoek van de ring en keken net zo verbaasd naar iedere stoot die ze incasseerden. „Dat vind ik zielig voor hem”, zei een meisje naast me over een jongen die in de ring zichzelf tegenkwam.

Veel meer dan bij normale kickboksgala’s liepen mensen op en neer naar buiten. Roken is uit, maar niet bij corpsleden. Wat niét in bleek onder corpsleden: „Mag ik even langs?” vragen als ze even langs willen. Eén jongen bood zijn excuses aan voor de botsing. Althans, ik neem aan dat „Sorry, pik” daarop neerkomt.

Een meisje waar ik veel mee heb getraind kwam naast me staan. Ze had zojuist gevochten en gewonnen, al duurde het een extra ronde. Ze vond het heftiger dan verwacht, zei ze. Ik zei dat ze trots mocht zijn, maar daar leek ze nog niet aan toe.

Het was elf uur geweest, tijd voor de laatste partij. In de blauwe hoek stond een student, maar in de rode deze keer niet. De tegenstander van de student had op het allerlaatste moment afgezegd. Na een oproep op Facebook had zich alsnog een tegenstander gemeld. Het was een Marokkaanse jongen, die eruitzag alsof hij onderweg naar dit theater nog even een kapsalon had gegeten. Maar toen de bel klonk, bleek hij een taaie knokker. De student won, op het nippertje. Hij kreeg applaus, maar zijn tegenstander net zo hard. De dag zelf toezeggen om het op te nemen tegen een getrainde student voor een publiek van 1700 joelende medestudenten: daar had iedereen hier ontzag voor.

De Marokkaanse lefgozer pakte de microfoon over van de presentator. Hij zei: „Ik heb drie weken niet getraind. Je hebt terecht gewonnen. Maar ik daag je uit nog een keer de ring in te gaan tegen mij, als ik wél heb getraind.” De student nam de uitdaging aan. Weer applaus. De Marokkaanse jongen pakte opnieuw de microfoon. “Dan zien we elkaar daar. En dan kunnen jullie nu allemaal gaan zuipen.” Daarop klonk het hardste applaus van de avond.