Drugsafval

Onderzoek: Limburgers vinden dat grondbezitters niet moeten opdraaien voor kosten drugsafval

Print
Onderzoek: Limburgers vinden dat grondbezitters niet moeten opdraaien voor kosten drugsafval

Drugsafval, ter illustratie. Afbeelding: Maartje van Berkel

Sittard / Venlo / Maastricht / Roermond -

Negen op de tien Limburgers vindt dat grondeigenaren bij wie drugsafval op het terrein wordt gedumpt, niet zouden moeten opdraaien voor de kosten.

Dat blijkt uit onderzoek van datajournalistieke persdienst LocalFocus, die een landelijk panel van 4608 Nederlanders een vragenlijst liet invullen.

De antwoorden van de Limburgse deelnemers lagen in lijn met het landelijke beeld. In totaal gaf 88,1 procent van de Limburgers aan niet te vinden dat particuliere grondbezitters, zoals boeren, zelf moeten blijven betalen voor het drugsafval dat op hun grond gedumpt is. Een klein gedeelte, 5,3 procent, vindt van wel. De overige deelnemers hebben hierover geen mening.

Recordhoogte

In Limburg stegen de kosten voor het opruimen van drugsafval vorig jaar naar een recordhoogte, bleek uit onderzoek van De Limburger. Waar in 2016 en 2017 nog respectievelijk 43 en 41 keer een chemische vondst werd gedaan, steeg dat vorig jaar naar een recordhoogte van 87. De daarmee gepaard gaande kosten stegen eveneens, naar ruim 650.000 euro in totaal.

De politie liet weten dat het de afgelopen jaren niet vaak voorkwam dat op grond van particulieren drugsafval werd gevonden. Al gebeurde het weleens.

Rekening

Particulieren konden tot vorig jaar aanspraak maken op een subsidie, om zo financieel gecompenseerd te worden. Die driejarige regeling vanuit het Rijk is echter voorbij en in Limburg is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Gelderland, nog geen nieuwe regeling. De provincie Limburg laat weten nog niet te weten wanneer daarover een besluit valt.

Wel behaalden particulieren eerder dit jaar een overwinning toen de Raad van State bepaalde dat grondeigenaren die zelf niet van het drugsafval weten, niet voor de kosten hoeven op te draaien. De zaak werd door een Brabantse familie in Nuenen aangekaart. Uiteindelijk draaide de gemeente daar op voor de kosten.