‘Dat ik negen jaar lang als een onverstoorbare zenboeddhist door de stadsjungle ben gefietst, klopt niet’

Print
‘Dat ik negen jaar lang als een onverstoorbare zenboeddhist door de stadsjungle ben gefietst, klopt niet’

Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Van de negen jaar dat ik in het centrum van Amsterdam woonde, sliep ik er 8,5 aan de voorkant van mijn appartement in de Nes, boven een café.

Ik had ooit een tijd een vriendin die graag op bed jazz draaide en dan het slaapkamerraam open liet staan, zodat al het straatrumoer binnen waaide. Voor haar gevoel smolten de muziek en het gepraat, geroep, geschreeuw, de sirenes en af toe een kapot vallend glas samen tot de soundtrack van een stad.

Een vriend van me af die af toe blijft slapen, zei vaak dat ik het moest omdraaien: wérken aan de rumoerige voorkant, slápen aan de stille achterkant. Steeds bezwoer ik dat ik geen enkele last van het geluid had, dat ik overal doorheen kan slapen, ik denk zelfs door een oorlog heen, dus zeker door wat stadsgeluiden.

Een half jaar geleden draaide ik het toch eens om. Gewoon, voor de verandering. Toen ik de eerste ochtend wakker werd, voelde ik me zoals een ijsbeer zich moet voelen als hij voor het eerst uit zijn hol kruipt na zijn winterslaap. Zo was dat dus, wérkelijk diep slapen. Acht en een half jaar lang had ik mezelf wijsgemaakt dat al het geluid buiten geen enkele invloed op mijn slaap had, dat niet wakker worden hetzelfde was als er niets van merken.

Ik moest er afgelopen week aan denken, toen ik met mijn hond van Maastricht naar Bemelen wandelde. We liepen over een weggetje door het veld. Lange tijd kwamen we helemaal niemand tegen, tot een andere man en zijn hond ons tegemoet liepen. De hond liep los. Het was een Berner Sennenhond: meer haar dan mijn boxer en ik tezamen. Ik groette de man, die doorliep, terwijl zijn hond doorsnuffelde aan die van mij. Toen de man al verdwenen was in de glooiing van het landschap, stond zijn Berner Sennen nog steeds bij ons. De man kwam niet terug, hij floot of riep niet. Het duurde minuten, en toen sjokte de hond verder, in de richting van zijn inmiddels onzichtbare baasje. Waarschijnlijk lopen ze hier al jaren samen, en weet de man al lang dat zijn hond altijd komt, zoals de hond in de zekerheid leeft dat op het eind van dat veldweggetje zijn baasje staat, al ziet hij hem niet meer.

De twee straalden een kalmte uit die mij totaal vreemd is. In de lange lijst onderwerpen waar Amsterdammers graag over klagen, scoort de drukte van het toerisme al jaren het hoogst. Ik heb me vrijwel nooit gestoord aan toeristen. Niet alleen omdat ik het zelf in de rest van de wereld ook ben, maar ook omdat ik drukte bij een stad vind horen. Omdat ik het lekker vond dat meteen achter de voordeur de reuring begon. Maar dat die drukte me niet stoorde, wil niet zeggen die me niet heeft gevormd. Mijn eigen indruk dat ik negen jaar lang als een onverstoorbare zenboeddhist door de stadsjungle ben gefietst, is net zo correct als mijn eigen indruk dat ik 8,5 jaar lang onverstoorbaar sliep.

Op dat veldweggetje tussen Maastricht en Bemelen voelde ik opeens hoeveel drukte, lawaai en hectiek ik heb verinnerlijkt, hoe al die fiets- en scooterbellen en claxons en sirenes in mijn systeem zijn gaan zitten, hoe ik altijd de overkant van de straat scan, continu taxeer wie bij een naderend groepje hoort, wanneer ik ze kan inhalen, of de stoep dadelijk breed genoeg is voor ons allemaal, hoe ik ben gaan lopen als iemand die zich steeds maar overal omheen, tussendoor en langs beweegt.

Ik zag het spiegelbeeld van mijn overprikkeling in de jaloersmakende kalmte van die man en zijn hond, samen zoveel dichterbij de ziel van Limburg dan ik.