‘Muren net te dun voor alle vreemdgangers om hun goddeloze gang te gang’

Print
‘Muren net te dun voor alle vreemdgangers om hun goddeloze gang te gang’

Leon Verdonschot. Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Omdat je in Nederland bijna niet langer en verder kunt reizen dan van Maastricht naar Den Helder, en omdat ik donderdagochtend om half tien op de dijk van Den Helder moest staan, nam ik woensdagavond een hotel.

Er was een hotelkamer vrij in Schagen. Nog geen Den Helder, maar vanuit Maastricht geredeneerd wel bijna.

Ik heb een vriend die verslaafd is aan luxe hotels. En eenmaal in zo’n luxe hotel kan hij vervolgens zijn levenswerk maken van de volgende missie: een upgrade krijgen bij het inchecken. Een suite voor de prijs van een gewone kamer: elke keer wanneer hij al die extra meters aflegt van het bed naar de badkamer, is hij gelukkig. Ik snap het wel: je eigen koninkrijk van weelde, tot de dag erna twaalf uur dan, wanneer moet worden uitgecheckt en je gewoon weer staand naast je rolkoffer ongeduldig naar taxi’s zwaait, op weg naar je huis waar je het bed nooit zo strak krijgt opgemaakt.

Luxe hotels vind ik lekker, maar goedkope hotels eveneens; de hotels waar alles nét niet goed is. De muren net te dun voor alle vreemdgangers om hun goddeloze gang te gang, de fruitsalade bij het ontbijt net te duidelijk een op de kop gezet huismerk blik cocktailfruit.

Alles daartussen is eigenlijk ook goed. De zakelijke hotels op industrieterreinen, waar in de lobby borden de richting aangeven naar de ruimte waar de whiteboards al klaar staan voor het zoveelste congres over circulaire economie, of iets met het woord ‘innovatie’ erin. Hotels zijn een vlucht uit de werkelijkheid, en vertellen er tegelijk zeldzaam veel over.

Mijn hotel in Schagen bleek een kasteel, met een ridderzaal, en een tamelijk trieste geschiedenis: rond 1440 gebouwd, in 1829 gedeeltelijk gesloopt en daarna gebruikt als gevangenis, op een terrein dat later decennia dienst deed als begraafplaats. Pas na een burgerinitiatief werd een replica van het oude kasteel gebouwd. Ik sliep dus in een soort nagemaakte ex-gevangenis, die nadrukkelijk adverteert als huwelijkslocatie: ‘Eén van de meest romantische locaties in de Noordkop’.

Het kasteelhotel had geen receptie. Ik had een mail met twee codes gekregen. Toen ik ’s avonds over de slotbrug liep, zag ik links naast de deur een kastje hangen. Ik toetste de eerste code in. Achter het kastje zat een nieuw kastje. Dit begon op een spelprogramma te lijken, maar uit het tweede kastje viel inderdaad een pasje, dat toegang gaf tot het hotel. Ik liep door een stil en verlaten hotel, de wenteltrap op, onderweg naar mijn kamer. Of misschien was het hotel wel helemaal niet verlaten, maar totaal volgeboekt, en slapen mensen in Schagen om tien uur al. Toen ik door de gang liep, hoorde ik uit twee kamers het geluid van een televisie. Het slot had toch meerdere bewoners vanavond.

De dag dat Michael Jackson overleed, was ik in Los Angeles op vakantie. Ik sliep in een goedkoop motel, in een kamer op het eind van een lange gang. Ik hoorde dat hij in het ziekenhuis was opgenomen en waarschijnlijk al dood was, en liep terug naar mijn kamer om het nieuws te kijken. Toen ik door de gang liep, hoorde ik uit letterlijk iédere kamer een nieuwsuitzending galmen, en mensen opgewonden en geëmotioneerd over hem praten.

Steeds als ik door een hotelgang loop en een televisiestem door een deur hoor heen praten, moet ik er aan denken. Zelfs nu, bij de stem van de Rijdende Rechter in Schagen.