‘Als ze me zouden vragen of ik hun schoenen wil strikken, had ik dat minder gek gevonden’

Print
‘Als ze me zouden vragen of ik hun schoenen wil strikken, had ik dat minder gek gevonden’

Afbeelding: De Limburger

BLOG - Ik zit te werken in een brasserie. Bistro of grand-café volstaat ook. Je kunt er in ieder geval koffie drinken. Vliegensvlug razen mijn plakkerige vingers op het toetsenbord en af en toe nip ik van mijn slagroom latte.

Ik doe mijn best een interview terug te luisteren. Niet genoeg, zo blijkt. Het gezwets van mezelf en de geïnterviewde wordt overruled door dat van de twee dames naast me.

De dames blijken zussen te zijn. En als ik naar rechts kijk, bestaat daar geen twijfel over. Beiden hebben witgrijs, kort haar dat met krulspelden is bewerkt. Ook rust er bij beiden een bril op een haast identieke neus. Het enige verschil dat ik opmerk, is dat eentje een rollator met teckel heeft en de ander een doorrookte stem.

Het tafereel heeft iets aandoenlijks en doet me denken aan mijn eigen zus. Dat slaat om als ik me bewust word van de inhoud van het gesprek. Het samenzijn van de gezusters heeft geen feestelijke aanleiding. Uit het gesprek maak ik op dat hun vader is overleden. Gezien het voorkomen van de dames, had hij een mooie leeftijd.

De dames hebben het over de uitvaart. Alles lijkt te zijn geregeld, op één dingetje na: het bidprentje.

„Die? An, dat meen je toch niet? Kijk hoe wit zijn gezicht is. Net alsof hij al onder de zoden ligt. Wanneer heb je die foto gemaakt? Gaan we niet doen hoor!”, zegt de één stellig. An antwoordt dat ze de foto twee weken geleden heeft genomen. Teleurgesteld draait ze haar mobieltje weer naar zich toe. Ze scrolt verder. „Deze dan Toos?”, zegt ze, en ze draait het scherm weer naar haar zus. „Waar is deze foto gemaakt?”, vraagt Toos. „Op het feest van ome Wim”, antwoordt An. „Mooie foto. Alleen van minstens vijf jaar geleden. Toen had hij nog wat haar”, zegt Toos.

Op kleine schermpjes tonen de zussen elkaar foto’s van hun vader. Pa bleek niet erg fotogeniek. Een hoofd als een ouwe sok, een verbrand boveneind, een bril die scheef staat; geen één foto lijkt geschikt.

In mijn ooghoeken zie ik dat één van de twee mijn kant op schuifelt. „Mevrouw? Wilt u ons even helpen?” Ik doe mijn oortjes uit en vraag wat ik kan betekenen. „Onze vader is overleden, ziet u, en we weten niet welke foto we op het bidprentje moeten plaatsen. Kunt u helpen kiezen?” Met een zo neutraal mogelijk gezicht kijk ik naar de dames. Als ze me zouden vragen of ik hun schoenen eventjes zou willen strikken, had ik dat minder gek gevonden.

Hoopvol kijken de dames en Fret de teckel naar mij. En daar kan ik niet goed tegen. Het vooruitzicht van twee onbekende dames die me foto’s tonen van een dode, vreemde man ook niet. „Gecondoleerd met het verlies van jullie vader”, begin ik. In alle eerlijkheid zeg ik dat ik het moeilijk vind ze te helpen. „Ik ken jullie vader niet en kan jullie hoogstens wat tips geven.” De dames halen hun schouders op en wachten af. Ik leg ze iets uit over de resolutie van de foto’s op hun mobieltje; de foto’s op de telefoon van Toos zijn niets waard. De foto’s op het mobieltje van An zijn wel geschikt. „Het belangrijkste is dat jullie een foto kiezen die het dichtst in de buurt komt bij jullie herinnering. Dat moet het uitgangspunt zijn. Jullie mogen de werkelijkheid best wat mooier maken, een foto kiezen van een tijdje geleden, als dat het beeld is hoe jullie je vader graag zien.”

De dames kijken elkaar aan: het wordt de foto op het feest van ome Wim. Daarna kijken ze naar mij. „Heeft u ook nog wat tekst-tips?”

Wil je niets missen van L-magazine?

Volg ons dan ook op Facebook en Instagram!