Dit artikel is exclusief voor jou als abonnee van De Limburger te lezen
Plus-artikelen zijn exclusief voor abonnees van De Limburger. Verder lezen?

Plantaardige verstekeling in kilo’s vogelvoer

Mens&Natuur

Plantaardige verstekeling in kilo’s vogelvoer

Boekweit, een oud landbouwgewas. Afbeelding: Stefan Cheruug

Vogels voeren in de tuin heeft zo zijn aangename kanten. Het is een bron van doorlopende levendigheid en biedt alle mogelijkheden om het gedrag van vogels van dichtbij te bekijken. Maar het voer lokt ook andere liefhebbers, zoals muizen – aangenaam, mits met mate – en eekhoorns – aangenaam zonder voorbehoud. Minder in het oog springend: met het voer, vooral met de zadenmengsels die ik doorgaans met kilo’s tegelijk insla, komen ook nog andere bezoekers mijn tuin binnen. Plantaardige verstekelingen. Vogels zijn niet de netste eters, dus er valt wel eens wat – en soms tamelijk veel – op de grond dat vervolgens in de voegen tussen de stoepklinkers of in de borders ontkiemt. Geen onverdeeld genoegen als je de boel een beetje schoon wilt houden. Maar je komt nog eens wat tegen. Zonnebloemen, bijvoorbeeld. Of koolzaad, zeer in trek bij koolwitjes die hun eitjes kwijt willen. Of vlas (lijnzaad). Een enkele keer duikt er plotseling een hennepplant op. En dan is er nog boekweit. Boekweit is een oud landbouwgewas. Het stamt oorspronkelijk uit het westen van China en is van daaruit in het voetspoor van rondtrekkende volkeren stap voor stap de wijde wereld ingetrokken. Rond 1850 werd in Nederland nog 65.000 hectare – ongeveer 8 procent van het totale landbouwareaal – boekweit geteeld. In Noord- en Midden-Limburg was het in de 19de eeuw een van de belangrijkste voedselgewassen. Vooral omdat het zelfs op de armste grond wel wilde groeien. Maar naarmate de graanteelt rendabeler werd, verdween boekweit naar de achtergrond. In Nederland wordt het tegenwoordig nauwelijks nog verbouwd. In Polen, Rusland en China wel. Boekweit, van oudsher armeluisvoedsel, is een moeilijk gewas. Het is erg vorstgevoelig en staat ook wat hoog ‘op de benen’, in dit geval op niet al te sterke, holle stengels, zodat het bij wind en regen al snel plat gaat liggen. De oogst mislukte vroeger dus nogal eens. Wat boekweit de bijnaam ‘jammerkoren’ opleverde. Dat ‘koren’ wijst op graan. Maar boekweit is geen graan. Dat is bij de eerste oogopslag al duidelijk. De plant, gesierd met kleine, witte tot roze bloemetjes, is nauw verwant aan gewassen als zuring en rabarber. De zaadjes zijn driekantige nootjes, een soort minibeukennootjes – ‘boek’ is een oude benaming voor de beuk – en kunnen tot meel vermalen worden. Boekweitbloemetjes zijn rijk aan nectar en dus in trek bij bijen. En de zaadjes zijn prima vogelvoer, maar dat had u ongetwijfeld al geconcludeerd. Bovendien is boekweit een sierlijke en bescheiden verschijning, dus mijn neiging om straffe maatregelen te nemen als er ergens een opduikt, is niet al te groot. In mijn tuin mogen verstekelingen, mits ze zich een beetje gedragen, hun gang gaan. Ruimte zat.