The Cure speelt nog steeds met gemak Champions League

Print
The Cure speelt nog steeds met gemak Champions League

The Cure. Afbeelding: Harry Heuts Photography

Landgraaf / Schaesberg / Nieuwenhagen / Rimburg -

RECENSIE - Bijna tweeënhalf uur duurde de set van The Cure op Pinkpop. Voor de liefhebbers nog steeds te kort, voor de Armin van Buuren-fans was het wel een hele lange zit.

Ho, wacht. Zien we daar een glimlach op het gezicht van toetsenist Roger O’Donnell? Ja, hoor. Een hele brede zelfs, vlak nadat bassist Simon Gallup de laatste snaar heeft aangeslagen van het magistraal wegstervende ‘A Forest’. Hij kan het niet helpen. Benieuwd of O’Donnell na afloop van het Pinkpop-concert nog op het matje is moeten komen bij regisseur Robert Smith. Want tijdens een The Cure-optreden wordt niet gelachen. Punt. Gepraat ook niet, trouwens. Tenzij je het onverstaanbare gemompel van Smith tussen enkele nummers door meetelt.

Taai

The Cure is nu eenmaal geen crowdpleaser. Je hebt twee keuzes: óf je laat je zonder morren meezuigen in het lugubere universum van enigma Smith en zijn gothic matties, óf je verlaat verveeld het veld en doodt de tijd elders met een biertje en een bamischijf, totdat Armin van Buuren aan de beurt is. Dat laatste is overigens geen diskwalificatie. Alle begrip voor degenen die de kluif die The Cure hem voorhoudt te taai vinden. De Britten maken het de festivalweide namelijk niet makkelijk. De eerste anderhalf uur strooien ze slechts zuinigjes met het bekendere werk, pas in de encore wordt er een serieuze hitsalvo op het smachtende publiek afgevuurd. Aan interactie of entertainment doet de band verder niet. Dat past ook niet bij het mysterie die The Cure nog steeds uitstraalt. Hoor je bij het ‘leavers’-kamp: even goede vrienden.

Champions League

Voor de ‘remainers’, mensen die het geduld kunnen opbrengen voor optie één, is het waarlijk smullen geblazen. Het beste lijkt er bij Smith, herkenbaar aan zijn slordig aangebrachte lippenstift, afgefikte haar en bierbuik, op het eerste oog wel af. Maar zodra hij zijn strot opentrekt, doorklieft zijn gekwelde stem met gemak de festivalweide. Machtig mooi. Bovendien gaat hij er naarmate het donkerder wordt steeds beter uitzien. Zwart staat The Cure sowieso het best. Smith is dus nog in vorm, maar vergis je niet: ook de rest van de club speelt nog met gemak Champions League. Het knappe is dat het, hoewel de band volledige controle heeft, nergens routineus wordt. Ze doen nergens alsof. Kijk naar die grimassen van Smith als hij voor de zoveelste keer zijn hartenzeer bezingt. Je gelóóft hem. Ook na de honderdduizendste keer. Daarin verschilt The Cure van al die copycats (lezen we mee, White Lies?) die hen de afgelopen decennia tevergeefs naar de kroon hebben proberen te steken. The Cure is écht.