De Zomervareling

‘n Vleugje ‘vroeger’ met een dankbare glimlach

Print
‘n Vleugje ‘vroeger’ met een dankbare glimlach

Afbeelding: Irene Bruyninckx

Maasbracht -

Ze had nooit kunnen vermoeden dat ze op een dag naar het dorp terug zou rijden. De plek waar ze haar jeugd doorgebracht heeft. Er was een sterke innerlijke drang die haar hiertoe aanzette.

Josette wilde niet gaan varen. Dat leek haar helemaal niks. Toen ze afgestudeerd was, kreeg ze al snel een leuke baan in de stad. Daar stortte ze zich in het uitgaansleven, waar ze met volle teugen van genoot.

En toch… Hoewel ze er met haar slanke lijf en lange zwarte haar goed uitziet, wil er iets niet zo vlotten in haar leven. Soms heeft ze een vriend, maar dat duurt nooit lang. En dat terwijl de ene na de andere vriendin gaat samenwonen en er eentje zelfs al een baby heeft. Niet dat zij dat nu zou willen. Haar biologische klok roert zich nog niet echt. Maar toch. Als je ieder weekend op stap gaat tot in de vroege uurtjes en alle feestjes afloopt, dan worden op den duur zelfs festivals gewoon.

Alleen thuis zitten met dit mooie weer voelt triest. Daarom stapt ze in haar auto. Ze rijdt naar het dorp waar ze naar school ging, loopt naar de sluis en kijkt over de haven uit. Eigenlijk was het best knus aan boord, zo met papa en mama dichtbij. Op het internaat waren altijd speelkameraadjes. Heimwee heeft ze toen nooit gehad. Maar nu wel. Naar de simpele geborgenheid uit haar jeugd.

Ze kijkt naar de schepen die de sluis uitvaren. Ze weet nog goed hoe ze als kind in de stuurhut zat en opa boven op hen wachtte. Het voelt alsof het gisteren was.

Dan komt een jongeman naast haar staan, gekleed in een vlotte jeans en een overhemd dat aan de hals openstaat. Hij zwaait naar een van de schepen die beneden net de sluis uit varen. Ze kent hem niet. En toch heeft hij iets wat haar aandacht opeist. Misschien de openheid in zijn blik? Of de vage geur van machinekamer die ze zo goed kent? Dit overvalt haar zo dat ze naar hem opkijkt. De jongeman voelt blijkbaar dat haar aandacht op hem gericht is en kijkt haar aan. “Mooi weer vandaag he”, zegt hij.

Het is geen bijster originele manier om een gesprek te beginnen, maar toch… “Ja zeker. Niet te warm en toch heerlijk zomers”, antwoordt Josette. Ze houdt niet van plakweer. Daar heeft ze overigens tegenwoordig weinig last van. Op haar werk staat de airco aan, net als in haar flat. Volgens haar moeder heeft ze het allemaal dik voor mekaar.

“Ze hebben hier lekker ijs. Als jij er ook zin in hebt”, nodigt hij haar uit. “Ja. Ik ben gek op ijs”, lacht Josette. “Hoe kun je het raden.” Samen lopen ze langs de haven naar de ijssalon. De jongeman vertelt dat hij scheepsmonteur is en daardoor veel schippers kent. Josette lacht en zegt dat het haar al opgevallen was, dat hij naar ‘machinekamer’ ruikt.

Toevallig hebben ze dezelfde smaak en niet veel later zitten ze aan een hele grote mokka coupe. Over het ijs heen lacht hij naar haar. Dat voelt verrassend goed. De jongeman veegt met zijn vinger een toef slagroom van haar neus. Meteen verontschuldigt hij zich, want nu heeft ze een zwarte veeg op haar gezicht.

“Daar is het niet echt beter van geworden. Sorry hoor”, verontschuldigt de jongeman zich. “Ach, is niet erg.” Josette kijkt naar hem op en hoopt dat het samen ijs eten nog een vervolg krijgt. Ze is maar wát blij dat ze vanmorgen haar gevoel gevolgd heeft.