‘Opeens was ik op Lowlands net zo retro als Woodstock’

‘Opeens was ik op Lowlands net zo retro als Woodstock’

COLUMN - De afgelopen drie dagen was ik op Lowlands, een van mijn favoriete festivals. Het bestaat sinds 1993. Woodstock is dus niet eens twee keer zo lang geleden als de eerste Lowlands, terwijl beelden van Woodstock op mij altijd de indruk wekken van tijden die oneindig voor me liggen, pakweg ergens tussen het begin de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie.

Inmiddels is voor een groot deel van het Lowlands-publiek 1993 precies dat: een tijdperk dat je alleen uit nieuwsbeelden kent, uit een tijd voor Instagram, Twitter en Facebook, zelf voor Hyves, ja: zelfs voordat iedereen internet had, en een smartphone.

Het grappige aan Lowlands is dat iedereen er in een maximale vrijheid zichzelf kan zijn, en dat het resultaat daarvan is dat veel mensen precies hetzelfde doen.

Zoals je dat ook zo vaak ziet in wijken waar mensen vrij mogen bouwen, zonder de wapperende wijsvinger van de welstandscommissie, en dan vervolgens allemaal dezelfde bungalow neerzetten.

Er lopen veel studentenmeisjes op het festival rond, inclusief de schorre stemmen uit het handboek der corpsclichés, en op een of andere manier hadden al die studentenmeisjes, maar ook een aanzienlijk deel van de meisjes en vrouwen die geen student meer waren, en zelfs een klein deel van de mannen, besloten een tijgerprint te dragen. Het was simpelweg niet te negeren, en het bleef zich het hele weekend vanuit iedere ooghoek aan me voorbijtrekken: leggings in tijgerprint, rokjes met tijgermotief, jasjes in tijgerkleuren. Alsof ze het hadden afgesproken, in een groepsapp met een paar duizend deelnemers. Waarschijnlijk was het tegendeel het geval; hadden ze allemaal het idee iets heel bijzonders te hebben aangetrokken, tot ze zichzelf in een spiegelpaleis waanden.

Misschien nog opvallender waren glittertjes op hun gezicht, vooral hun jukbenen. Wie begint daarmee, wie besluit dat dan ook te doen, en dan juist omdát anderen dat doen, of omdat ze denken: wat grappig, glittertjes, dat ik daar zelf niet aan had gedacht? Soms stond ik naar een band te kijken met links én rechts van me mensen met glitters in hun gezicht. Gelukkig ben ik al gewend me kaal te voelen.

Toen het zaterdagmiddag keihard begon te regenen, schuilde ik in de tent voor medewerkers en gasten voor het festival, waar ik binnen mocht omdat ik op het literair podium mijn radioprogramma opnam. Ik stond klaar om te bestellen met de benodigde muntjes in mijn hand, toen ik merkte dat de mensen om me heen helemaal niet afrekenden met munten. Ze bestélden zelfs niks: ze kwamen bij de bar, hielden hun telefoon omhoog, de barmedewerkers staken vervolgens hun arm in de lucht, met rond hun pols een soort horloge, en dat horloge las wat de telefoon vertelde. Ik bleek de enige die geen app had gedownload waarmee je kon bestellen én betalen, zodat je alleen nog maar naar de bar hoefde te lopen om je bestelling op te halen, tot natuurlijk een nabije toekomst waarin een robot je drankjes komt brengen.

Ik vroeg of ik hier wel nog met muntjes kon betalen. Ja, dat kon wel nog, zei het meisje achter de bar. Vriendelijk, maar ik meende een nadruk te horen op ‘nog’. Feitelijk werd ik dus gedoogd. Zo stond ik hier, zonder tijgerprint, zonder glitters en met muntjes. Opeens was ik net zo retro als Woodstock.