‘Na de film van Tarantino zette ik me schrap voor een tirade’

Print
‘Na de film van Tarantino zette ik me schrap voor een tirade’

Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Woensdag stond ik op het Schouwburgplein in Rotterdam te wachten op een goede vriend, die in Vlaardingen woont. Zoals zoveel pleinen in Rotterdam, is het Schouwburgplein groot, kaal en waait het er.

Sinds 2017 ligt er een enorme kunstgrasmat op. Dat ziet er best vrolijk uit, zeker op een zonnige dag als deze. Er liepen twee mannen rondjes met wat een grasmaaier leek, maar een enorme borstel was. Zelfs kunstgras houdt van wat extra aandacht.

Mijn vriend uit Vlaardingen vindt het uitstekend dat ik ben verhuisd naar Maastricht, alleen al omdat het betekent dat ik niet meer in Amsterdam woon. Ik ken veel mensen uit Geleen die Sittard uitspreken alsof het een soa is, zoals veel mensen uit Heerlen dat bij Maastricht doen, en ik tussen Weert en Roermond ook altijd rivaliteit ervaar. Het verbleekt bij de manier waarop Rotterdammers over Amsterdam praten. Ze lijken allemaal die tekst van Jules Deelder uit hun hoofd te kennen: „Niet da’k wat tege Amsterdammers hep...’t Zijn beste mense , hebben een goed hart…’t Moes alleen gekóokt opter rug hange en dan zo laag dat de honde erbij kenne.”

We gingen naar de nieuwe film van Quentin Tarantino. Ik had me erop verheugd, en ter voorbereiding in het filmhuis van Maastricht de afgelopen weken nog eens zijn eerste films gezien. Mijn vriend had met zijn zoon thuis hetzelfde gedaan, dus aanvankelijk had hij er net zoveel zin in als ik. Tot bleek dat in de nieuwe film Bruce Lee belachelijk wordt gemaakt. Ik ken niemand die zo’n grote fan is als mijn Vlaardingse vriend, een gevierd schrijver, die in enkele van zijn romans verwijst naar de betekenis van Bruce Lee, momenteel een boek over hem schrijft en me nog geen jaar geleden een foto appte waarop hij met zijn zoon bij het graf in Seattle staat. Hij heeft zelfs twee grote tattoos van het markante hoofd van Bruce Lee, twee pijnlijke odes, want Bruce Lee had een volle bos pikzwart haar, en dat is veel inkt. En dié Bruce Lee, die werd, had hij in recensies gelezen, neergezet als een clown die gekke geluidjes maakt en in een gevecht niet eens wint van Brad Pitt. Ik had mijn vriend gevraagd of hij nog wel wilde gaan. Ja, dat wel. Daarna vroeg ik of hij het kon opbrengen om 161 minuten te zwijgen, en zijn gram te bewaren voor ná de film. Ja, dat ook. Ik moest wel beloven dat ik na de film zijn tirade zou aanhoren, begripvol en zonder tegenwerpingen.

Dat beloofde ik. Als ik iets waardeer, en al helemaal bij vrienden, is het de neiging om onderwerpen, soms sportieve, soms politieke, meestal culturele, die voor anderen volkomen triviaal zijn, te promoveren tot zaken van levensbelang. Als ergens wél over valt te twisten, is het over smaak. Slechts weinig mensen doen dat, omdat ze het kinderachtig vinden een hoog oplopende discussie te krijgen over de vraag wat de beste plaat is van muzikant X of film van regisseur Y. Maar dat is uiteindelijk juist het tegenovergestelde van het ergst denkbare, namelijk onverschilligheid.

Dus zette ik me schrap voor een lange tirade, toen we de zaal verlieten. Die bleef achterwege. Het stripfiguur dat Tarantino van Bruce Lee had gemaakt, bleek geen emotionele schade te hebben aangericht, maar was weggelachen. Zó karikaturaal: daar stond Bruce boven, en daarmee mijn Vlaardingse vriend ook. Opeens had hij twee uur tijd over voor andere zaken, zoals afgeven op Amsterdam.