Verdediging

Verdachte Lottumse verkrachtingszaak 2002: ‘Slachtoffer liegt om smartengeld te claimen’

Print
Verdachte Lottumse verkrachtingszaak 2002: ‘Slachtoffer liegt om smartengeld te claimen’

Rechtbank Maastricht Afbeelding: Loraine Bodewes

Lottum / Maasbree -

De verdachte van een verkrachting in 2002 in Lottum pleitte zichzelf tijdens de behandeling van zijn zaak vrij. Het slachtoffer liegt om smartengeld te kunnen claimen, stelde hij.

Ton R. (58) uit Maasbree gaf daarmee antwoord op de vraag die officier van justitie Marleen Overmeer maandag voor de rechtbank in Maastricht stelde: „Wat zou een meisje van achttien voor reden kunnen hebben om een valse aangifte te doen?”

De vrouw verklaarde dat ze op 17 september 2002 na een bezoek aan een sportschool naar huis reed. Onderweg werd ze aangereden door een auto die haar probeerde in te halen. Haar eigen auto was zozeer beschadigd, dat ze niet verder kon rijden. Toen ze haar moeder telefonisch niet kon bereiken, bood de man die haar had aangereden aan haar naar huis te brengen.

Lees ook: Eis: vier jaar cel voor verkrachting in Lottum in 2002

DNA

Hij volgde haar aanwijzingen echter niet op en reed naar een zandpad vlakbij de Horsterdijk in Lottum. In de auto zou hij haar hebben verkracht. Daarna reed hij met het slachtoffer richting Lottum. De destijds achttienjarige vrouw wist uit de rijdende auto te springen, waarop de man vluchtte. R. liep in 2017 tegen de lamp, toen hij wangslijm moest afstaan na een veroordeling voor vernieling. Zijn DNA kwam overeen met het sperma dat in 2002 was gevonden.

De officier van justitie achtte verkrachting bewezen, waarbij ze wees op de consistente en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer. Tevens was de vrouw lange tijd van de kaart. „Dat kun je niet spelen.” Overmeer eiste vier jaar cel. Volgens R. was sprake van vrijwillige seks. De vrouw zou hebben gezegd dat ze „lief zou zijn” als hij haar naar huis wilde brengen.

Overdonderend bewijs

R.’s advocaat Jo Marchal voegde toe dat er „overdonderend bewijs” is dat de aanrijding verzonnen werd. Zo heeft onderzoek aangetoond dat de lak van R.’s auto niet op de auto van het slachtoffer zat. Ook zou uit getuigenverklaringen blijken dat R. de vrouw tegemoet reed en dus niet inhaalde. Marchal vond de verklaring van de vrouw over de aanrijding onbetrouwbaar, zodat haar hele verklaring „de prullenbak” in moest. Hij vroeg om vrijspraak.

De uitspraak is op 9 september.