‘Verlengde limo’s hebben iets tragikomisch’

Print
‘Verlengde limo’s hebben iets tragikomisch’

COLUMN - Afgelopen weekend reed ik langs een parkeerplaats in de buurt van het vliegveld waar Maastricht Aachen Airport op de gevel staat maar dat ik niettemin niemand ooit anders dan Vliegveld Beek heb horen noemen, toen ik daar een roze verlengde limousine zag staan, met ernaast de chauffeur, die stond te roken.

Het was een foto waard, dat beeld, ook vanwege de verveling die uit dat roken sprak, en het contrast tussen wat bedoeld leek als een uiting van luxe en decadentie, en de felgroene afvalbakken als achtergrond van al die overvloed. Het gedroomde leven van de Hollywood Boulevard stond geparkeerd naast de werkelijkheid van de A2.

Verlengde limo’s hebben iets tragikomisch, vind ik. Hun ramen zijn altijd verduisterd, alsof de passagiers behoefte hebben aan privacy, terwijl het voertuig juist schreeuwt om views en likes: het is instagram op wielen. Er bestaan gewoon lelijke verlengde limousines, en extreem lelijke verlengde limousines: de opgerekte versie van een Hummer. Dit exemplaar betrof de gewóón lelijke variant, al hief de lollykleur dat voordeel weer grotendeels op.

Het vermoeden met iemand verwant te zijn of juist niet; het wordt soms bepaald in een flits. De flits was in dit geval: nee, geen behoefte om in te stappen en de passagiers beter te leren kennen.

Twee dagen eerder had ik precies het tegenovergestelde: ook een flits, maar dan van verwantschap.

Sinds ik een paar jaar geleden ben ik lid van de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. De NVVE geeft wilsverklaringen uit, waarmee je je eigen wensen rond je levenseinde kunt vastleggen. Ik vind het belangrijk om daar goed over na te denken en dat zo goed mogelijk te regelen, wat iets anders is dan dat ik daar gráág over nadenk. De NVVE geeft ook een blad uit, dat ik als lid vier keer per jaar ontvang, en dat vliegt meestal meteen ongelezen de oud papierbak in. Soms niet, dan zie ik op de cover dat er interessante artikels in staan, en leg ik het blad apart, om het later te lezen als ik er een keer voor in de stemming ben, wat nooit zo is, zodat het dan alsnog ongelezen in diezelfde bak verdwijnt, maar dan met de vertraging van het vergeefse voornemen.

Deze week viel het blad opnieuw door de bus. Ik pakte het van de mat en liep naar de oud papierbak, toen ik zag dat het niet rechtstreeks naar Maastricht was verzonden, maar was doorgestuurd. Ik heb volgens mij inmiddels echt iédere instantie mijn verhuizing doorgeven, maar de club voor een vrijwillig levenseinde had ik kennelijk in de waan gelaten dat ik nog in Amsterdam woon. Alsof te zijner tijd de man met de zeis dan ook naar het verkeerde huis afreist.

Ik scheurde het mailadres uit het colofon van het blad, en wilde het bij de rest van het papier gooien, toen ik zag dat mijn oud papierbak overvol was. Ik propte het blad er nog bij, tilde de doos op en vertrok maar meteen naar het inzamelpunt bij mijn om de hoek. Ik kwam er aan net na een mevrouw van ergens de tachtig. Ze had op haar rollator een kleine blauwe tas met een klein stapeltje oud papier. Ze propte het stapeltje in de bak. Het waren vooral kranten, reclamefolders, en een paar tijdschriften. Ik zag de cover van haar laatste tijdschrift in de bak verdwijnen, keek omlaag naar mijn eigen doos, en zag dezelfde cover.

Andere generatie, maar dezelfde stad, dezelfde keuze, dezelfde organisatie, hetzelfde blad. En nu al dezelfde afvalbak.