Over vloeipapier en tweede kansen

Print
Over vloeipapier en tweede kansen

Afbeelding: De Limburger

December valt vroeg dit jaar. Dat zeg ik niet omdat ik weer een zak chocolade pepernoten heb geleegd. Ik zeg het omdat ik nu, in oktober, al terugkijk op het afgelopen jaar.

Dat is geen gewoonte hoor. Ik ben nooit zo van het omkijken geweest. Terugkijken doe ik naar The Bold and the Beautiful, niet naar de grillen van het leven.

Nu is het anders. Ik ben op de verjaardag van mijn oom en tante. Het favoriete entertainmentduo van mijn tweejarige neefje - mijn ouders - is ook present. Mijn vader zit op een omgekeerde, lege krat bier en mijn neefje heeft een stethoscoop om zijn nek. Hij heeft geen idee waar het ding voor dient.

Mijn vader wel.

Ik bekijk het tafereeltje en ga als vanzelf terug naar februari. Ik zie pap nog liggen in het ziekenhuisbed. Grauw, grijs en met kussentjes onder zijn ogen. Kabels houden hem in bedwang; hij kan geen kant op. Wat wel beweegt is zijn mond. Niet dat er iets zinnigs uitkomt hoor. Mijn vader is niet te hebben; boos op alles en iedereen.

Tussen woede en angst zit bij mijn vader een velletje vloeipapier. Ik weet dat. Ik heb dat vloeitje er ook tussen zitten. Voor buitenstaanders is het vaak niet te begrijpen. Zij zien een expansievat met tegengestelde emoties. Een doolhof waarin de kleuren van de muren telkens veranderen en een routekaart zinloos is. Terwijl mijn moeder waterlanders morst en de ziekenhuiskamer verlaat omdat haar routekaart de laatste update heeft gemist, schuif ik mijn stoel dichterbij. „Waar ben jij eigenlijk mee bezig?”, zeg ik vinnig. „Degene die het meest van je houdt, jaag je met je chagrijnige hoofd de kamer uit. Weet je hoe vaak ze wakker ligt omdat ze zich zorgen maakt?” Pap gaat er met gestrekt been in. Hij slaapt al dagen niet, zegt zich niet begrepen te voelen. En dan is er ook nog die zorgzucht van mijn moeder. Dan een stilte. „Jij zou hier eens moeten liggen. Je had de toko in de hens gezet.” Een nog langere stilte volgt.

Ik schuif mijn stoel tegen het bed. Niet dat het hartinfarct zijn oren heeft aangetast, maar toch. „Wil jij je kleinkinderen zien opgroeien? Wil je ooit nog opa worden van mijn kind?”, begin ik. Mijn woorden vliegen als messen door de ruimte. Mijn vader geeft geen krimp, duldt de tweede optater die zijn rikketik krijgt. „Jij moet je leven drastisch veranderen wil jij de zestig halen”, zeg ik. „Stop met roken. Het is klaar pap. Jij hebt nog een keuze.” Ik druk een kus op zijn voorhoofd en verlaat het slangenhol, mijn vader ontstemd achterlatend. „Kris?” Ik verslik me bijna als ik de tweede door mijn oma gebakken wafel in mijn mond parkeer. „Even een pafke hoor. Ik ben zo terug.” De vriend verlaat de feesttempel en mijn schoonbroer volgt. Mijn vader? Die blijft roerloos op het kratje zitten. Net als al die andere keren dat zijn schoonzonen hun nicotinevoorraad bijvulden.

Na 40 jaar en 40 x 365 sigaretten is mijn vader bevrijd van zijn nicotineverslaving. Ik teken mijn vader niet langer uit met een pakje shag en vloeitjes in zijn borstzak, maar met één bateraaf aan zijn arm. De ander ligt in de wandelwagen te tukken en eentje schopt er tegen mijn blaas. Hij gaat het nog druk krijgen, die ouwe. En dat allemaal omdat hij de juiste keuze heeft gemaakt.