Roermond als frontstad (deel 15) - Voordeuren en versperringen - december 1944

Print
Roermond als frontstad (deel 15) - Voordeuren en versperringen - december 1944

Versperringen op de Minderbroederssingel met de dames van Van Dinter. Afbeelding: collectie Eric Munnicks

Merum / Swalmen / Roermond / Asenray / Boukoul / Einde / Herten / Ool / Asselt -

In de rubriek ‘Roermond als frontstad’ blikken we terug op gebeurtenissen die in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog in de stad hebben plaatsgevonden. Deze week: Voordeuren en versperringen – december 1944.

Volgens een bevel van Ortskommandant Küppers moesten alle voordeuren open blijven. De sloten moesten van de deuren worden gehaald. De Duitsers motiveerden dit bevel als was het voor de veiligheid van de burgers. Bij vijandelijke beschietingen moesten zij altijd en overal de huizen binnen kunnen rennen om dekking te zoeken. Dat was natuurlijk alleen mogelijk als alle deuren altijd open waren. De echte reden van de Ortskommandant was dat de Grüne Polizei en de Fallschirmjäger op elk moment van de dag, en de nacht, de huizen binnen konden. Zo konden zij op elk gewenst tijdstip onverwacht binnenvallen op zoek naar mannen. ’s Middags op 1 december werd al begonnen met de sloten van de voordeuren te slaan. De deuren moesten dag en nacht geopend blijven. Niet iedere inwoner van Roermond gaf gevolg aan dit bevel. Mevrouw Vlek in de Zwartbroekstraat weigerde de deur open te doen. Jo Minten beschreef dit in zijn dagboek: ‘Bij Vlek op het Zwartbroek hebben de Duitsers een handgranaat naar binnen gegooid omdat de deur niet gauw genoeg werd geopend. De ventjes waren zo gauw op de tenen getrapt. Mevrouw Vlek is aan de bekomen verwondingen overleden. Het zijn niet meer dan beesten.’

Roermond als frontstad (deel 15) - Voordeuren en versperringen - december 1944
Versperringen in de Paredisstraat. Foto: Gemeentearchief Roermond

Op 3 december beginnen de Duitsers systematisch en goed georganiseerd overal de sloten van de voordeuren te slaan. Indien er niet vlug genoeg werd opengedaan werd de hele deur vernield. Het waren voornamelijk jonge soldaten die dit deden. Omdat overal de deuren open stonden werd er ook weer meer geplunderd. Een onbekende Duitse soldaat beschreef de plunderingen waaraan zijn kameraden zich schuldig maakten: ‘De stemming onder de soldaten werd steeds slechter. De verzorging werd ook steeds minder. In de weinige vrije uren trokken groepjes soldaten zwaarbewapend door de straten en huizen van het westelijke deel van de stad. Ze sleepten alles wat bruikbaar en eetbaar was mee naar de voorste frontlinies. Er vond ook een levendige ruilhandel plaats tussen de verschillende groepjes soldaten.’

Op 6 december begonnen de Duitsers met de aanleg van versperringen. Het materiaal om de versperringen aan te leggen werd bij het station gehaald. Jef Franssens zag dit gebeuren: ‘Enkele groepen mannen zijn aan de sporen aan het werken, maar het lijkt er eerder op dat ze de sporen wegnemen in plaats van ze te herstellen. Eerst zie je ze draaien en wrikken, dan lopen er een hele rij, twee aan twee, met een spoorstaaf een eindje verder en komen ze terug.’

Roermond als frontstad (deel 15) - Voordeuren en versperringen - december 1944
Versperringen in de Jesuïtenstraat Foto: Gemeentearchief Roermond

Op de Minderbroederssingel werd het wegdek op enkele plaatsen opgeblazen. De Duitsers gebruikten stukken rails voor versperringen in de straten. Ze plaatsten de stukken rails rechtop in de straten bij wijze van tankversperring. De stukken rails werden met prikkeldraad verbonden en tussen de spoorstaven werden mijnen met struikeldraden verborgen.

Zelfs de muren tussen de kelders werden doorgebroken zodat men ongezien van het ene naar het andere huis kon lopen. Op de hoek Dokter Leursstraat – Bisschop Boermanstraat hadden de Duitsers de buitenmuur van de kelder opgeblazen aan beide kanten van de straat. Dwars over de straat hadden ze een loopgraaf gegraven en zo konden ze zonder gezien te worden van de ene rij huizen oversteken naar de volgende rij huizen. Met de voordeur open en de keldermuren doorgebroken werd het voor de onderduikers steeds lastiger om uit de handen van de op mannen jagende Duitsers te blijven.