Wullem

‘Je kunt tegen dat stempel strijden, je kunt je erbij neerleggen of je kunt het omarmen’

Print
‘Je kunt tegen dat stempel strijden, je kunt je erbij neerleggen of je kunt het omarmen’

Afbeelding: De Limburger

Oostrum / Oirlo / Leunen / Castenray / Heide / Ysselsteyn / Venray / Geijsteren / Veulen / Merselo / Vredepeel / Smakt / Wanssum / Blitterswijck -

COLUMN - Onlangs Otmars zonen gelezen, de vorig jaar verschenen tweede roman van Peter Buwalda, die deels in Blerick en Venlo speelt. Een zéér bescheiden bijrol is erin weggelegd voor Horst aan de Maas en een iets minder bescheiden bijrol voor Venray.

Om te beginnen Horst aan de Maas. Op bladzijde 272 beschrijft Buwalda een overpeinzing van Ludwig Smit, stiefzoon van de Otmar uit de titel. Ludwig vraagt zich van alles af over zijn biologische vader: ‘Het lijkt hem logisch dat de man hem sinds hij een kleuter was, nee, sinds hij een baby was, in de gaten heeft gehouden. Hem om de zoveel weken bespied heeft. Vanaf de bankjes voor het plantsoen tegenover De Klimop, vanaf het viaduct waar hij onderdoor fietste op weg naar het Thomas College, vanaf tribunes rond tennisbanen in Kessel, Belfeld, Grubbenvorst, Lottum waar hij moest spelen.’ Fiets je onder een viaduct door? Of fiets je dóór een viaduct? Doet er in dit verband niet toe. Wat er wel toe doet, zijn die tennisbanen in Grubbenvorst en vooral Lottum. Heeft het nietige Lottum heus een tennisbaan? Of is hier sprake van een staaltje literaire vrijheid? Veldonderzoek ter plekke door ondergetekende was onvermijdelijk. En warempel, diep verscholen in de bossen ligt Kraaienhof, de thuisbasis van TC Lottum. Tribunes vallen er niet te ontwaren – literaire vrijheid.

Dan naar Venray. Op bladzijde 515 zijn Otmar en Ludwig met elkaar in gesprek over Dolf Appelqvist, zoon van Otmar en stiefbroer van Ludwig: ‘Otmar vertelde dat zijn stiefbroer, om beter te worden, een halfjaar in een speciaal ziekenhuis had gezeten. “In Venray?” flapte hij eruit, het was een soort scheldwoord bij hem op school. In Venray, daar zaten de gekken. Er stond een gekkenhuis. “Hij moet naar Venray,” zei je als iemand niet spoorde.’ ‘Nee hè’, hoor ik heel Venray nu verzuchten, ‘toch niet wéér dat gekkenhuis.’ Je kunt tegen dat stempel strijden, je kunt je erbij neerleggen of je kunt het omarmen. Er tegen strijden is onbegonnen werk. Je erbij neerleggen is wat min of meer gebeurt. Omarmen is uit den boze. Waarom eigenlijk? Dat ‘gekkenhuis’ is toch wat Venray zo bijzonder maakt? Waarmee Venray zich onderscheidt van Valkenswaard, Veghel, Vlaardingen en de meeste andere Nederlandse gemeenten? Dat ‘gekkenhuis’ is toch bij uitstek iets om uit te venten? Of in jargon: een unique sellingpoint om Venray positief mee op de kaart te zetten? Al was het maar om er een aantal misverstanden over psychiatrische instellingen mee uit de wereld te helpen.